Berichten met de tag ‘bladluis’
Recensie Bladluis NBD Biblion
De gedichten van Erwin Vogelezang (1971) verschenen eerder in ‘Meander’ en ‘Krakatau’. Nu zijn ze gebundeld tot een bescheiden uitgave van vijfentwintig stuks. De tekst op de achterflap doet melige poezie vermoeden (houd van Tsjechisch bier en woont in Den Haag met vriendin maar zonder snor). Daarmee mist hij lezers, want zijn werk is allerminst melig. De cyclus ‘Witte schoenen’ over de vader van de ik is aangrijpend en ontroert: ‘zo dun zijn benen, zo groot zijn handen, / maar vaal: oude vlaggen die hij streek / en opborg voor de nacht.’ En ook ‘het schoolplein en de dood’ is mooi van taal: ‘onder de in, spin, / lasso’s van de meisjes door / gaan wij jongens de bocht in.’ Een mooie bundel die helaas wordt afgesloten met een gedicht van ene Danny Degenaar die iets meligs en overbodigs over de veelbelovende dichter Erwin Vogelezang te melden heeft.
(Bron: Biblion recensie, Bibi Dumon Tak)
tableau vivant met twee christenen
meneer De Vries een boer
gooit houten kruizen naar de hemel
als plots zijn zoon
nog even blond en zichtbaar dood
gewoon in overall
het pad betreedt.
alsof er niets gebeurd is
zegt hij
zijn vader goedendag.
loopt dan dezelfde weg
als hij terug
gekomen is weer af.
de zon is stil.
mevrouw De Vries een boerin
slaat geraapte kruizen op
in weckflessen voor later.
elegie voor een buurvrouw
1. ah erlebnis
monden vol citroenen dragen
vleeskleurige lichamen
dito gepantied de zomer door.
in de supermarkt
worden roddels bezegeld
met speeksel van beroddelden.
eenmaal thuis wordt iedere boodschap
tot ver na de komma ontcijferd,
stilzwijgend gedistribueerd.
hoopvolle blikken voorbij
vinden kinderogen weer
geen lijken in de kast.
2. oranjebitter
vanachter het raam valt
haar bleke peignoir
al vroeg de avond in.
een verzachte handdoek hangt
trots van het balkon
de vlag weer uit.
oranje loopt
in de eerste regen na het fluitsignaal
traag door over de flanken.
3. god en de buitenwijk
vale damesbillen,
de zakken zwaar van airmiles,
stijgen traag de treden op.
zelfs als deze vluchtige ontmoeting
al om enkele woorden vraagt
zal niemand die uitspreken.
boven loert haar leven
verscholen in de barsten
van het te vaak verlaagd plafond.
een milder god zou haar verlossen
en toverde heel even maar
een glimlach op haar verzuurd gezicht.
ik zwijg met hem.
blues voor William
het komt oh ja het komt als een vreemdeling komt het als een verstekeling op je adem komt het tussen woorden (ik hou van je) komt het in een zwellende boezem komt het als het pompen het snelle pompen het onophoudelijke bonken als een streep die afscheid door je trekt en je verscheurt op weg naar een volgend verlaten is het gekomen oh het komt William het komt
het komt oh ja het komt als een riem komt het als het pure rood van striemen als een riem die breder is en boem! doet in het donker boem! doet in het licht van je hoofd als je slaapt in een bus in een trein (je hoofd warm tegen het raam) in je huis tussen muren aan het slot met bleke vingers komt het en als het aan het slot komt is het gekomen oh het komt William het komt
het komt oh ja het komt in spijkerbroek komt het met minaretten op het hoofd komt het in wit als vrouw als iemand die je wilde als bruid komt het in de lange nacht voordat het water breekt (vlokken in metallic blauw) tussen winterwitte benen komt het als twijfel als in een kijkdoos vol paddenstoelen komt het in Yves Klein blue is het gekomen oh het komt William het komt
uitzicht op uitzicht
wat op het land begint eindigt meestal
in de stad. het trage meisje met de koeien
ogen is achter elk derde raam te vinden
in Hellevoetsluis of Zoetermeer. het waar
doet er niet toe. ze wordt niet gezocht
door de buren. ze veroorzaakt niets.
uitzicht is een beest met twaalf open ogen
per verdieping aan de overkant. lakens,
ondergoed en sokken huilt het. ze telt
de ramen op haar vingers af. wat waar is
is dat iedere avond vordert. bij elf is het tien
uur. als ze stil is hoort ze leven in de biobak.
notitie
je denkt aan dode mensen, leest hun brieven,
volgt de letters met je vinger. vreemd en sierlijk;
de kalligrafie van de dood.
als meisjes van nu straks sterven
ondertekenen zij hun laatste kaart
met
-tjes op de i en xxx-jes.
zwaai je haar uit alsof ze op vakantie gaat,
op weg is? grap je: ‘we gaan op reis meis,
maar wat nemen we mee?’
en vind je later wat zij achterlaat?
kaarten in haar tas, toegestane roodstand,
schaamstreep op matras.
‘ze hield van tulpen, schelpenspiegels, de liefde,
en bezoek. ze leed aan ludduvuddu,
leggings en lymfeklierkanker.’
het is genoteerd.
Recensie Bladluis Pom Wolff
Ik vind Vogelezang een jongetje. De eerste keer dat ik hem zag was op het toilet van een podium verzorgd door Pim Karhof en Alex Franken. Bijzonder onaangenaam het jongetje. Hij wist wat poëzie was en de wereld kon niet schrijven maar hij wel. En mij rekende hij tot de wereld. Ik geloof dat ik nu echt plassen moet zei ik, altijd aimabel dit vriendelijk ik in onmogelijke situaties.
Maar dan nu toch echt BLADLUIS. Het is een verhaal, er is een jongetje, er is meer, er is leven liefde en de dood. Ongeveer 25 gedichten, een paar in serie gezet. Mooie vormgeving door Ivo Schmetz het lichte blauw getroffen door het zachte rood zo spat deze Vogelezang de wereld in. Het begin en het einde wel opmerkelijk. In het eerste gedicht schept het jongetje zichzelf – we hebben de keuze om hem god te noemen of Erwin. En het jongetje sterft zijn vader in de cyclus op het einde en daar tussen in wat leven. Op de laatste pagina lezen we een gedicht van Danny Degenaar: “een amerikaan”, een gedicht over de auteur. Het jongetje in de bundel en we noemen hem Erwin teruggebracht door Degenaar tot vlees en bloed in poëzie. Een gevaarlijke keuze omdat die Degenaar goed kan schrijven.
Recenseren doe je natuurlijk vanuit jezelf. Wat ik mooi vind, spannend en baanbrekend is het voor een ander helemaal niet. Ik vind Kopland een grote dichter maar kom daar maar eens bij Ilja Pfeiffer om. Wat zoek je in een bundel, wat moet je en wil je vinden om je waardering uit te spreken. En dat dan los van de politiek die ook bedreven wordt tussen uitgeverijen, stallen, zo dat de koeien uit de eigen stal naar parfum geuren waar de rest omkomt in de mest van de poëzie die zij uitbaggert. Zo vaak zo het beeld. Zo meurt bijvoorbeeld Bart Droog alleen nog maar van de parfum als we hem zelf moeten geloven.
Maar ik bedoel dit. Schrijft Erwin Vogelezang de poëzie die nog nooit geschreven is. Moet de bundel open omdat het avantgarde is? Wat vinden we in BLADLUIS. Wat vind ik?
Nou de avantgarde laten we even bij Robin Block. Daar is zij in goede handen. Voor reguliere poëzie vaak de zachte verstilling met her en der een genadeloze dolkstoot daarvoor naar Vogelezang. De luis in de pels ligt voor de hand, maar dat is het niet in deze bundel. Het is een kwetsbaar verslag van leven. Komt mij nabij en ook nabij wat ik denk: het leidt allemaal tot niets, elke dag is meegenomen. We lezen de dagen van het jongetje in 25 gedichten een wereld en dat is knap. Vogelezang kan schrijven, laat geen steken liggen, elke zin verzorgd en soms zeldzaam mooi en ontroerend.
Het jongetje in sjimmie, in vinex god en buitenwijk kijkt de wereld in, kent mededogen met haar vooral, met de boeren op het land, met zichzelf en overal sluipt dood. Er worden instructies gegeven – een kantje dat me iets minder bevalt – dood aan de moraal in de gedichten – elke letter van dat is me teveel – het jongetje kijkt en ervaart, slaapt met haar, sterft met haar. Sterft door haar heen. Hij blijft nog even om te schrijven. Wat rest de grote Erwin, ons verhaalfiguur, anders dan het jongetje in hem. Naar mate de bundel vordert is er meer dood, zo leeft deze bundel zich uit. “ik zou je weer de trap opdragen” is de regel die ik citeer uit de cyclus over vader, ware het niet dat ik nog liever citeer uit het enige liefdesgedicht dat de bundel kent – deze bundel is voor mij uiteindelijk verzet. De dichter neemt het op tegen de dood met het enige wapen dat de dood zou kunnen overwinnen – de regels zijn woorden. En ook de dichter weet dat hij zal verliezen. Hij hield van haar. Uit – het laatste herfstgedicht
deze regels:
want zou de dood te bedwingen zijn
met slechts enkele mooie regels
dan had ik die voor je geschreven.
Voor 5,95 bij uitgeverij Holland dit. Dat behoeft geen reclame. Deze bundel raakt. Deze bundel raakt ook gewoon uitverkocht.
Bladluis – Erwin Vogelezang
Titel: Bladluis
Auteur: Erwin Vogelezang (1971)
Uitgeverij: Holland
ISBN: 90 251 0996 9
Bijzonderheden: debuut, Windroosreeks
POM CIJFERT: 8
Recensie Bladluis Meander
Erwin Vogelezang heeft al vaak gepubliceerd in Meander en andere tijdschriften en met Bladluis is er dan eindelijk een bundel. Van de vier dichters uit deze lichting heeft hij de origineelste manier van kijken.
lege blikken in een kast
uit verre landen vrees ik, het kraken
van een pissebed onder mijn schoen.
stilte die op geluid volgt, de geur van melk
uit schroefdopbekers en het natte groen
van bekers in een tas.
maar meer nog vrees ik dit ontwaken,
de vraag wat er is
omdat ik klam voel,
met open handen sla naar licht
dat door lamellen raast
en alles bedoel maar niets zeg.
Zijn gedichten lopen ook ritmisch goed. Dat komt in belangrijke mate doordat hij vaak kiest voor een vorm waarbij alle strofen hetzelfde aantal regels hebben. Zo’n vaste vorm kan helpen om een gedicht ‘op de rails’ te houden. Natuurlijk, alles mag en niets moet tegenwoordig in een gedicht, maar met vrijheid komen verantwoordelijkheden en dat is er de oorzaak van dat het bij Graauwmans en Van den Bergh zo vaak misgaat. Vogelezang kent blijkbaar zijn eigen grenzen beter en zijn gedichten zijn dan ook mooi consistent en zitten metrisch goed in elkaar. Ook bij Vogelezang mag het nog wat scherper, mag de lezer meer worden uitgedaagd. Maar dat kan nog komen als hij zich verder ontwikkelt. Bladluis is in ieder geval een debuut met belofte en daarmee de meest interessante bundel van het viertal.
(Bron: Bouke Vlierhuis, Meander)
Meander recensie Bladluis
Erwin Vogelezang heeft al vaak gepubliceerd in Meander en andere tijdschriften en met Bladluis is er dan eindelijk een bundel. Van de vier dichters uit deze lichting heeft hij de origineelste manier van kijken.
lege blikken in een kast
uit verre landen vrees ik, het kraken
van een pissebed onder mijn schoen.
stilte die op geluid volgt, de geur van melk
uit schroefdopbekers en het natte groen
van bekers in een tas.
maar meer nog vrees ik dit ontwaken,
de vraag wat er is
omdat ik klam voel,
met open handen sla naar licht
dat door lamellen raast
en alles bedoel maar niets zeg.
Zijn gedichten lopen ook ritmisch goed. Dat komt in belangrijke mate doordat hij vaak kiest voor een vorm waarbij alle strofen hetzelfde aantal regels hebben. Zo’n vaste vorm kan helpen om een gedicht ‘op de rails’ te houden. Natuurlijk, alles mag en niets moet tegenwoordig in een gedicht, maar met vrijheid komen verantwoordelijkheden en dat is er de oorzaak van dat het bij Graauwmans en Van den Bergh zo vaak misgaat. Vogelezang kent blijkbaar zijn eigen grenzen beter en zijn gedichten zijn dan ook mooi consistent en zitten metrisch goed in elkaar. Ook bij Vogelezang mag het nog wat scherper, mag de lezer meer worden uitgedaagd. Maar dat kan nog komen als hij zich verder ontwikkelt. Bladluis is in ieder geval een debuut met belofte en daarmee de meest interessante bundel van het viertal.

