Berichten met de tag ‘liefde’
final words on love
the layered softness of her skin? forget it
was ever yours to touch, and if you touch it
feel it wither. this is best practice, an exercise
in mitigating future disappointment.
the whale’s smile in the warm curve
of her knee? It appears only when she sleeps
like this, just after, and never when she squats
to pee, or runs to catch a train.
if it tempts you, know that love is a vowel
in a verbal tug of war; a futile invocation
of an avoidable past, so common a tale
you could (you told her this on many occasions)
have written it yourself, but didn’t; a mediocre novel
materializing on her nightstand, then on yours,
and back again; a story you never intended
to finish, yet invariably do.
cubicles
he finds himself, again, scalding under the incredibly
well-built raindome showerhead and growls (courteously)
at the backlit designer-mirror – not quite the predator
as advertized perhaps, but animal just the same.
[19 and high she said
she'd have his baby
and he believed her]
when did his limbs grow so impossibly, intolerably long?
they unfold randomly as he crouches under the pressure,
bars and bars to wash off his impending nausea, his self
induced sickness pulsating like a recharged toothbrush.
[they fucked in closets and confessionals
with saints and specks
of dust as their witness]
he hides his longing in a hollow under his desk, it throbs
and whines unattended for hours; when he finally relieves
himself in the ladies, he wipes his whiteness off the seats
like a good boy, regurgitates time until release.
[once she got sober
long enough to leave him
she did]
gotterdammerung
1: de lispelaar
maar als je dan nog zo onherroepelijk moet zijn,
wees dan zoals haast niemand is,
als god
maar niet die, niet de patriarch, de grijze
hoeder van het grauwe, niet de leugenaar
die scherp en warm als distels schuilt in gras
nee, wees de wrekende, die waarheid brengt
en in de wind woont, de slissende,
de lispelaar die van jezelf vertelt
wees weer het vreemd grommend wezen
dat dreigend langs de wanden
van mijn kinderkamer schuurt
of de schaduw die je hand maakt
als huid gespannen oplicht
in het groen van een nachtlampje
maar wees niet dit, niet dit dier
dat ieder aarzelend woord van troost
van mijn uitgestoken handen likt
2
vandaag waart over het schoolplein een besef
dat bleek en dik als wasem onder een kap is
en zwelt als voeten aan het einde van een dag
in juli, als knikkertijd voorbij is en zomerzand
nauwlettend uit ogen wordt gewreven
met blauwlauwe washandjes
waar jongens molenwieken over het plein
met armen die als tandwielen
tot bloedens toe in elkaar grijpen
heeft een kind soms simpelweg
de verkeerde ouders en is de wereld
niet veel groter dan deze zandbak
3
oma schept
eieren uit de pan
met een hardhouten lepel
oma weet
dat je kanker krijgt
van zout op eieren
eieren smaken
nergens naar
deze eieren
er is de vage belofte
van een dag vol elfen
op de elfteling
4
van onder de gelambriseerde deur
komt rook van onder de gelambriseerde
deur komt rook de douche staat aan de mei
de meisjesdouche staan aan
als we bukken kunnen we misschien
voeten zien als we diep bukken kunnen we misschien
haar voeten zien als we heel diep bukken
kunnen we haar voeten zien we tellen tot negen
tenen aan de ene
5
vandaag waart over het schoolplein een gerucht
sissend als de sampan
en scherp als het zakmes wanneer je onder ede zwijgt
nemokeg si eipeoj eipeoj
nemokeg si eipeoj eipeoj
gaat van mond tot mond
maar niets wordt bevestigd
en niets wordt zomaar toegegeven
6
wie heeft het soldaatje wie
heeft het plastic soldaatje gestolen?
raadseltje: wat is zo klein dat het moeiteloos
in je knikkervrije broekzak past?
de oppergeneraal.
(leg het neer
leg het naast de stoeprand neer
vind het) krijg een snoepje
wegens goed gedrag
7
vandaag waart over het schoolplein
het lied van de lispelaar, het lied
van oorzaak en gevolg, dit lied
dat van schuld en boete zingt
nemokeg si eipeoj eipeoj
haar kleine ziel
besterft in drie dagen,
hangt zichtbaar als een trofee
te drogen aan een riem
die ons omspant
zoals alleen
een meisjeshand
tot bloedens toe
het hart omspannen kan
8
niemand gaat langs af
9
het was vreemd
hoe dingen plots niet meer alleen
met elkaar te maken hadden
hoe alles wat altijd
zo nauw met elkaar verbonden was
zo snel zo ongedaan gemaakt kon worden
alsof alle letters op het bord
die haast moeiteloos eerst
tot woorden werden
in opstand kwamen en eenmaal los
gelaten als vliegen aan dunne koorden
om onze hoofden draaiden
10
ook sterke verhalen vlogen zo
rond als superhelden haast
ze waren al snel niet meer
bij ons weg te slaan
en toch wist niemand toen
of er ooit zoiets gebeurd was
we wisten alleen dat zonlicht
toch niet als water warm
en om je heen was
maar dat er vreemde stralen waren
waar je soms door werd geraakt
en dat dit raken dan het toeval was
11
robert droeg een nieuw blauw jasje
robert droeg een groot geheim (wees zuinig
op je jasje robert) deed soms nog
een plasje
wanneer dat niet de bedoeling was
en dus hield iemand zijn jasje
op drie hoog van een steiger
in de lucht
van de andere kant van de straat
leek het net een vlieger blauw
op blauw nee werkelijk
met je ogen half
dicht tegen het priemende licht
was er niet veel meer te zien.
dat is ook wat iedereen later zei.
en dat het stom was
van het ziekenhuis, dat zeiden we ook
niemand zei dat hij zijn jasje even
boven de grond haast
nog had ingehaald.
dit moet ook nog gezegd:
superman had vrij die dag.
12
daarna vielen ze in bosjes
zegen neer tijdens het voetballen stegen
op tijdens het zingen
van een lied met veel amen
en armen rond en rond in hava
nagila hava sneller
en sneller rond het snijdende touw
totdat het bloed langs haar dunne
meisjes polsen stroomt
tot helemaal over haar benen
op de grond
13
deze waarheden werden verdronken
als jonge katjes. je bond zo’n zak dicht
alsof het vuilnis was
met de warmte van de grote kat
nog op je schoot
en niemand vond dat daar
iets vreemds aan was, aan zo’n grote kat hier
en aan die kleintjes
ook Jezus niet
terwijl die toch altijd
langs het water liep
14
aan de rand van het schoolplein staat
een jongetje al
weer te vertellen over zijn onderzeeër
die in de Barentz ligt daar
waar een koude oorlog woedt
en pas als iedereen
aan zijn blauwe lippen hangt
houdt hij een hand voor zijn mond
en wijst naar een vlieger in de verte.
15
ademt dan,
zooooooooooo
een mondvol vliegen uit.
16 (dit zijn de dagen, mijn vriend)
dit zijn de dagen
dat de raderen van de wereld
dieper in de wonden grijpen
dat de dageraad
door verlichte vreemden
op een draagbaar
naar binnen wordt gereden
dat alles
in de engte lengt
als tussen dubbel glas
het geluid van een sirene
dit zijn de dagen dat je huivert
als een vliegtuig overgaat
zoals soms een ziekte doet
dat mars daalt
als een rood en boos gezicht
vol lijkvlekken
17 (kinderliedje)
van voor naar achter gaat de auto
schuurt hitsig haast
tegen de wanden op
ik zandstraal gedachten
met mijn gezicht tegen de wind
en mijn mond zooooo
mars daalt neer de lucht is rood de wereld
ruikt alsof hij net is ontsmet
we gaan
van links naar rechts
mijn broer en ik
op de achterbank
het is lastig zingen
met dichtgeknepen keel
maar toe doe alsof
je niet weet waar je bent
toe doe alsof we (zijn er
bijna) thuis zijn
18 (de groene simca)
drie mannen in heel donker
blauw hebben hem
gevonden en naar huis gebracht
hij lag in zijn auto
te slapen: een Simca
in bijzonder lullig groen
19 (belle Hélène)
en alweer op de achterbank
op weg naar een land zit Hélène
de vlakke uren naast mij
het landschap komt en gaat
met af en toe een schaap
en later ook wat heuvels
ik houd haar hand vast
tot zij net voorbij de grens
in Nederland verdwijnt
ik zal haar evenmin een ansicht sturen
als zij hier was
wel draai ik twee weken
(a) dat nummer
(b) één bruine haar steeds om mijn vingers
20 (intermezzo; transmitting live from Mars)
komt tot mij, allen die eenzaam zijn
verdwaald vermalen
tussen de raderen
van een wereld
die te diep in de wonden grijpt
en leg uw botten hier te ruste
laat ze bleken gloeien
branden desnoods dan
als een ster
21 (baby, I’m a star)
ik word een ster
en ik zal zeker veel
te veel willen drinken baby
you can drive my car
dan doe ik mijn ogen dicht
en droom haar even stiekem naast me
als mijn vader achter het stuur
22 (de droom)
hij komt aan
gereden in die auto
parkeert netjes en stapt uit,
vloekt dan niet
ongewoon herhaaldelijk
op de groene stoel met franjes
ik vertel hem dat hij dood is
hij heeft geen zin in dat gezeur
en trekt een biertje open
even hardnekkig
als de vlekken op zijn gezicht
staat soms zijn auto buiten
23 (mars daalt)
vandaag zie ik
de vlekken in zijn gezicht
gaten in de lucht branden
rood kleeft aan wanden
dichtgeknepen kelen zingen
alles ruikt alsof het net is ontsmet
de wereld vouwt ons op
slikt ons in en ergens
implodeert een lever als een ster
maar toe doe toe doe
t het er allemaal
nu wel zo toe ?
24 (weer onderweg)
ik mis dezelfde
muur vandaag al
weer op enkele centimeters
0 intermezzo
I saw myself
a ring of bone
in the clear stream
of all of it
and vowed
always to be open to it
that all of it
might flow through
and then heard
“ring of bone” where
ring is what a
bell does
(© Lew Welch)
25. kringspel
ik adem
mezelf weer uit en blaas
een roze ring van meisjes om mij heen
penny, ik laat je naam in mij
vallen als de zon in water
en duik je steeds weer op
iemand roept je naar het midden
en al wat draaien kan – het draait
ik beloof mezelf plechtig
om je met bleke huid en haar
in te blijven ademen
26. kermis
zoals een tong eerst schichtig dan
sneller steeds en almaar sneller draait
berijden wij wijdbeens draken
want het is kermis op het plein
en alles is nog mogelijk
kijk, daar branden lichtjes
witte gaten in de lucht
de geur van suikerspinnenlippen
als askegels gloeien wij als sterren bottenbleek
op excursie naar het einde van de nacht
nat gras, natte ruggen
je onbehoorlijk smalle schouders
je open mond: zo groot de maan!
27. onder de seringenboom
later onder de seringenboom ben ik
in de schaduw die een hand maakt
op je warme wang
draai als de rook van een eerste sigaret
in mijn buik, laat mijn vinger door iedere cirkel
prikken waarvan jij het midden bent
onder het badpak over je moedervlekken:
sterren branden donker op jouw huid, zeg je
maar ik voel alleen maar jou
maar ik proef alleen maar jou
zomerzout en nieuw en jong zo penny
28. de bus terug
blazen maar weer: kringen op het raam
namen doorhalen onder harten
van de heenreis
penny loves x loves y 4 ever
4 ever weerkaatst je
bitterzoete adem van die ochtend
grotere jongens weten het: jou pesten is makkelijk
vandaag legt iemand pennies op je ogen
als je slaapt
zwaai ik naar mezelf
in het raam van een bus op weg naar huis
zie ik de dood, een verstekeling
die onderadems reist van mond op mond
van zweterige hand tot hand
als voetbalplaatjes in de pauze
ik droom een cowboy: brede hoed, jas,
het striemen van een speekselzweep
één uiteinde bungelt aan je mond
29. penny slaapt
grotere jongens wisten het: jou pesten was makkelijk
vandaag legt iemand pennies op je ogen
als je slaapt
dooft de zon op iedere tekening
die vloeidunne bleekhuid!
zelfs sterrenlicht brandt gaten
ik draai mezelf binnenstebuiten
wil je mijn moedervlekken wel geven
het zijn er twee
ze passen over je ogen
en gloeien in de eindeloze nacht
30. ennio
de donsgele slaap in je ogen
gaf je me
en al het licht van de maan
ik hang haar
aan een touw boven je huis
en zeg: de maan is nu gehangen
ik fluit veel – morricone
en ben een zomervakantie lang
indrukwekkend somber
31. where ring is what a bell does
vandaag gevonden:
je seringenroze kauwgumring
past niet meer om mijn vinger
je geur, je smaak, je speeksel
wat licht was bleek niet taai genoeg
om langer mee te gaan en ging
ik schrijf dit omdat ik aan je dacht
toen ik een gedicht las
en plots je ring zo hoorde
even onder ede
bij zaklamplicht de sporen volgen
van kleine dieren (een rups, een duif
een slang) en samen dronken worden
van tegenstrijdige signalen, wijn en rook,
alles wat achteloos van mond tot mond gaat
op zomeravondadem
vouw je handen tot een kom
en zucht; die geur blijft voorgoed
verdwijnen
nu je verliefd bent
op hoe haar knieën buigen
omdat ze per se pissen wil in gras
waar krekels en sprinkhanen neuken
in het vocht dat tussen haar benen raast
ingebrand: billen op kuiten in witte sokken
of anders dit: warmte in het donker, zilt
en gewillig
kijk mama, zonder handen!
knielend met de resten van een liedje
over love nog in haar mond
ben jij
en als zij aanwijst welke kaarsjes
op de hemeltaart je uit moet blazen
opdat deze slaap zwart zal zijn en diep
maar licht genoeg om niet in te verdwalen
als je haar stevig vasthoudt, dan
doe je dat, ja, dat doe je
we zijn er allemaal geweest, we willen allemaal terug,
slaan vreemde lichamen vrijwillig op
in tenten even onder ede
jij weet, zij weet, wij weten we zijn
er geweest
dat wordt dus levenslang
laveren tussen schuld en onschuld,
tussen deze en gedroomde tijd,
op zoek naar een verwante
emotie op elk grasveld, twee (4,6)
kinderen aan je linkerhand, je derde
vrouw ter rechterzijde
pardon mijnheer maar weet u misschien
waar de toiletten zijn
die vinden
en achter je richt het gras zich alweer op
voorbij in fragmenten
1
maar waar we waren? ik zou ongestraft
kunnen zeggen samen, stijgend en dalend
als kinderen op broodwarme lucht in dromen
van wolken. of omgekeerd, van eilanden in zee,
steeds nader tot elkaar maar achterwaarts in tijd
dreven we een onafwendbaar volkomen tegemoet.
maar of het zo was? het is niet meer
bekend en jij zou het ontkennen. misschien
bestaat er daarom poëzie.
2
kom, we gaan terug. we gaan
de kusten verkennen, denken hotels weg,
bezoeken de graven (vreemden in een vreemde taal)
waar we de foto namen waarop je lacht
en jong blijft (niet wij, niet wij, wij niet).
laten we gaan, vastberaden en spijtloos
tot ik de oorsprong van de wereld
weer opgevouwen in je schoot vind
als een liefdesbrief.
we gaan om te bewijzen
dat we de regen nog even achteloos
terug de hemel in kunnen spugen.
we gaan om elkaar kleffe
sandwiches toe te werpen op een
verlaten strand. wacht daar dan en weet
hoe ik je gezicht boven het water (je lichaam,
een diffuus vermoeden tussen zilvervisjes)
heb willen behouden. dat er daarom poëzie is.
3
het lag al achter ons; een sluier
van duizend witte treden. de weg
naar het huis van God op deze berg.
daar vouwde ik je open als een vlinder,
als de Bijbel. nam je dieper dan tevoren
op het altaar. en er was waanzin in het kruis.
4
iets werd een zonde waar we niet mee konden leven
en iets werd vergeten, iets werd volbracht, iets werd
een woord dat langer werd. tot niets
werd onze schaduw waar de weg in achterbleef,
zodat er niets meer was om naar uit te kijken
en zoveel minder nog op terug. wat rest
zijn wolken als weggezogen vet waaruit de regen valt
en valt. en poëzie bestaat alleen omdat wij
nooit waren. omdat dit niet geschreven is.
