Berichten met de tag ‘recensie’
Recensies en dergelijke
Een post voor mijn eigen archiefje: twee recensies over Flarf, een bloemlezing. Op het risico af zuur te klinken; jammer dat er meer over het verschijnsel flarf dan over de gedichten zelf wordt gezegd. De best lezenswaardige recensies zijn hier (“en jawel, een flarf gemaakt van flarf gedichten,” concludeert Hans Mirck, die waarschijnlijk op een flarf van mij doelt, maar helaas moeite heeft met het lezen van ondertitels, wat dan wel weer grappig flarfesque is), hier en hier te vinden. Ondertussen ontvangt mijn vakantievierende kont hier een banaankleurige pluim.
ContraExpertise 1
In reactie op deze post op de Contrabas
Het eerste gedicht: ‘aanloop’ van David Troch.
aanloop
het begon met letters voor je naam
toen vis en pijp en rookte grootva
zich dood. het was fris bij zijn
begrafenis. oude mensen bewogen
in schokjes het hoofd, oma kneedde
haar neus in iets rood. hier leg ik mijn
Of Troch inderdaad met l[aat]avondtaal debuteerde, weet ik niet, maar dit is volgens mij een schoolvoorbeeld van een gedicht van een debutant. De eigen jeugd, het overlijden van een familielid; het zijn typisch thema’s die je in eerste romans of debuutbundels tegenkomt. Thema’s ook die – hoewel voor vrijwel iedereen herkenbaar – al zo vaak (en zo goed) zijn behandeld, dat het lastig is om nog een originele invalshoek te vinden.
Troch is daar wat mij betreft niet in geslaagd, want het gedicht mist emotionele diepgang. Geen van de karakters komt bijvoorbeeld tot leven: van grootva weten we niet meer dan dat hij (te veel) pijp rookte en oma gebruikt een rode zakdoek om haar verdriet in op te vangen. Het is natuurlijk lastig om in een dergelijk kort gedicht mensen van vlees en bloed neer te zetten en ik vraag me dan ook af of het niet slimmer was geweest om dit miniatuurtje later in de bundel aan bod te laten komen. Misschien dat de andere gedichten, die ik niet heb gelezen, voldoende framework zouden hebben opgeleverd om ‘aanloop’ te kunnen waarderen. In deze ‘stand alone’ vorm word ik er in ieder geval niet door geraakt. Hoewel de eerste strofe een aardige lijnafbreking kent (grootva / zich dood) is de overgang tussen de eerste en tweede strofe al een herhaling van zetten. En dat binnen zo’n kort gedicht.
Niet onaardig zijn de kinderlijke taal en observaties – vooral het ‘in schokjes bewegen’ van de hoofden. Zo kan verdriet er inderdaad uitzien, weet ik als begrafenisveteraan; bijna alsof je naar kabbelend water kijkt. Of een kind een dame die haar neus snuit inderdaad ziet als iemand die ‘haar neus kneedt’ betwijfel ik. Volgens mij is het snuiten van de neus zo’n alledaagse gebeurtenis (ik zie moeders regelmatig achter hun kroost aanrennen om langgerekte snotslierten te verwijderen voordat die de designtruitjes bezoedelen) dat je mag aannemen dat een kind dat al kan lezen, weet wat er plaatsvindt. Jammer.
En dan het slot. Tsja. Hoewel ik de associatie met ‘zakdoekje leggen’ in eerste instantie miste (het was geen populair lied tijdens mijn schooltijd) begrijp ik ook nu nog niet precies waarom het gedicht hier wordt afgebroken. Of je de zin nu wel of niet aanvult; echt veel voegt het in mijn beleving niet toe. Misschien denkt het kind door het zien van de oma aan het liedje. En misschien wil Troch hiermee aangeven dat ‘de grote boze dood’ nog weinig betekenis voor de jonge hoofdpersoon heeft. Maar wereldschokkend is ook die (mogelijke) betekenislaag volgens mij niet. Ik kan me uiteindelijk niet aan de indruk onttrekken dat de beschreven gebeurtenis voor Troch grote emotionele waarde heeft. Maar deze lezer kan daar niet in meegaan; daarvoor mist het gedicht taalkundig ‘pizazz’, zijn de karakters te bordkartonnerig en ontbreekt dat moment van plotselinge verbazing dat goede gedichten vaak kenmerkt.
Recensie Bladluis NBD Biblion
De gedichten van Erwin Vogelezang (1971) verschenen eerder in ‘Meander’ en ‘Krakatau’. Nu zijn ze gebundeld tot een bescheiden uitgave van vijfentwintig stuks. De tekst op de achterflap doet melige poezie vermoeden (houd van Tsjechisch bier en woont in Den Haag met vriendin maar zonder snor). Daarmee mist hij lezers, want zijn werk is allerminst melig. De cyclus ‘Witte schoenen’ over de vader van de ik is aangrijpend en ontroert: ‘zo dun zijn benen, zo groot zijn handen, / maar vaal: oude vlaggen die hij streek / en opborg voor de nacht.’ En ook ‘het schoolplein en de dood’ is mooi van taal: ‘onder de in, spin, / lasso’s van de meisjes door / gaan wij jongens de bocht in.’ Een mooie bundel die helaas wordt afgesloten met een gedicht van ene Danny Degenaar die iets meligs en overbodigs over de veelbelovende dichter Erwin Vogelezang te melden heeft.
(Bron: Biblion recensie, Bibi Dumon Tak)
Recensie Bladluis Pom Wolff
Ik vind Vogelezang een jongetje. De eerste keer dat ik hem zag was op het toilet van een podium verzorgd door Pim Karhof en Alex Franken. Bijzonder onaangenaam het jongetje. Hij wist wat poëzie was en de wereld kon niet schrijven maar hij wel. En mij rekende hij tot de wereld. Ik geloof dat ik nu echt plassen moet zei ik, altijd aimabel dit vriendelijk ik in onmogelijke situaties.
Maar dan nu toch echt BLADLUIS. Het is een verhaal, er is een jongetje, er is meer, er is leven liefde en de dood. Ongeveer 25 gedichten, een paar in serie gezet. Mooie vormgeving door Ivo Schmetz het lichte blauw getroffen door het zachte rood zo spat deze Vogelezang de wereld in. Het begin en het einde wel opmerkelijk. In het eerste gedicht schept het jongetje zichzelf – we hebben de keuze om hem god te noemen of Erwin. En het jongetje sterft zijn vader in de cyclus op het einde en daar tussen in wat leven. Op de laatste pagina lezen we een gedicht van Danny Degenaar: “een amerikaan”, een gedicht over de auteur. Het jongetje in de bundel en we noemen hem Erwin teruggebracht door Degenaar tot vlees en bloed in poëzie. Een gevaarlijke keuze omdat die Degenaar goed kan schrijven.
Recenseren doe je natuurlijk vanuit jezelf. Wat ik mooi vind, spannend en baanbrekend is het voor een ander helemaal niet. Ik vind Kopland een grote dichter maar kom daar maar eens bij Ilja Pfeiffer om. Wat zoek je in een bundel, wat moet je en wil je vinden om je waardering uit te spreken. En dat dan los van de politiek die ook bedreven wordt tussen uitgeverijen, stallen, zo dat de koeien uit de eigen stal naar parfum geuren waar de rest omkomt in de mest van de poëzie die zij uitbaggert. Zo vaak zo het beeld. Zo meurt bijvoorbeeld Bart Droog alleen nog maar van de parfum als we hem zelf moeten geloven.
Maar ik bedoel dit. Schrijft Erwin Vogelezang de poëzie die nog nooit geschreven is. Moet de bundel open omdat het avantgarde is? Wat vinden we in BLADLUIS. Wat vind ik?
Nou de avantgarde laten we even bij Robin Block. Daar is zij in goede handen. Voor reguliere poëzie vaak de zachte verstilling met her en der een genadeloze dolkstoot daarvoor naar Vogelezang. De luis in de pels ligt voor de hand, maar dat is het niet in deze bundel. Het is een kwetsbaar verslag van leven. Komt mij nabij en ook nabij wat ik denk: het leidt allemaal tot niets, elke dag is meegenomen. We lezen de dagen van het jongetje in 25 gedichten een wereld en dat is knap. Vogelezang kan schrijven, laat geen steken liggen, elke zin verzorgd en soms zeldzaam mooi en ontroerend.
Het jongetje in sjimmie, in vinex god en buitenwijk kijkt de wereld in, kent mededogen met haar vooral, met de boeren op het land, met zichzelf en overal sluipt dood. Er worden instructies gegeven – een kantje dat me iets minder bevalt – dood aan de moraal in de gedichten – elke letter van dat is me teveel – het jongetje kijkt en ervaart, slaapt met haar, sterft met haar. Sterft door haar heen. Hij blijft nog even om te schrijven. Wat rest de grote Erwin, ons verhaalfiguur, anders dan het jongetje in hem. Naar mate de bundel vordert is er meer dood, zo leeft deze bundel zich uit. “ik zou je weer de trap opdragen” is de regel die ik citeer uit de cyclus over vader, ware het niet dat ik nog liever citeer uit het enige liefdesgedicht dat de bundel kent – deze bundel is voor mij uiteindelijk verzet. De dichter neemt het op tegen de dood met het enige wapen dat de dood zou kunnen overwinnen – de regels zijn woorden. En ook de dichter weet dat hij zal verliezen. Hij hield van haar. Uit – het laatste herfstgedicht
deze regels:
want zou de dood te bedwingen zijn
met slechts enkele mooie regels
dan had ik die voor je geschreven.
Voor 5,95 bij uitgeverij Holland dit. Dat behoeft geen reclame. Deze bundel raakt. Deze bundel raakt ook gewoon uitverkocht.
Bladluis – Erwin Vogelezang
Titel: Bladluis
Auteur: Erwin Vogelezang (1971)
Uitgeverij: Holland
ISBN: 90 251 0996 9
Bijzonderheden: debuut, Windroosreeks
POM CIJFERT: 8
Recensie Bladluis Meander
Erwin Vogelezang heeft al vaak gepubliceerd in Meander en andere tijdschriften en met Bladluis is er dan eindelijk een bundel. Van de vier dichters uit deze lichting heeft hij de origineelste manier van kijken.
lege blikken in een kast
uit verre landen vrees ik, het kraken
van een pissebed onder mijn schoen.
stilte die op geluid volgt, de geur van melk
uit schroefdopbekers en het natte groen
van bekers in een tas.
maar meer nog vrees ik dit ontwaken,
de vraag wat er is
omdat ik klam voel,
met open handen sla naar licht
dat door lamellen raast
en alles bedoel maar niets zeg.
Zijn gedichten lopen ook ritmisch goed. Dat komt in belangrijke mate doordat hij vaak kiest voor een vorm waarbij alle strofen hetzelfde aantal regels hebben. Zo’n vaste vorm kan helpen om een gedicht ‘op de rails’ te houden. Natuurlijk, alles mag en niets moet tegenwoordig in een gedicht, maar met vrijheid komen verantwoordelijkheden en dat is er de oorzaak van dat het bij Graauwmans en Van den Bergh zo vaak misgaat. Vogelezang kent blijkbaar zijn eigen grenzen beter en zijn gedichten zijn dan ook mooi consistent en zitten metrisch goed in elkaar. Ook bij Vogelezang mag het nog wat scherper, mag de lezer meer worden uitgedaagd. Maar dat kan nog komen als hij zich verder ontwikkelt. Bladluis is in ieder geval een debuut met belofte en daarmee de meest interessante bundel van het viertal.
(Bron: Bouke Vlierhuis, Meander)
Meander recensie Bladluis
Erwin Vogelezang heeft al vaak gepubliceerd in Meander en andere tijdschriften en met Bladluis is er dan eindelijk een bundel. Van de vier dichters uit deze lichting heeft hij de origineelste manier van kijken.
lege blikken in een kast
uit verre landen vrees ik, het kraken
van een pissebed onder mijn schoen.
stilte die op geluid volgt, de geur van melk
uit schroefdopbekers en het natte groen
van bekers in een tas.
maar meer nog vrees ik dit ontwaken,
de vraag wat er is
omdat ik klam voel,
met open handen sla naar licht
dat door lamellen raast
en alles bedoel maar niets zeg.
Zijn gedichten lopen ook ritmisch goed. Dat komt in belangrijke mate doordat hij vaak kiest voor een vorm waarbij alle strofen hetzelfde aantal regels hebben. Zo’n vaste vorm kan helpen om een gedicht ‘op de rails’ te houden. Natuurlijk, alles mag en niets moet tegenwoordig in een gedicht, maar met vrijheid komen verantwoordelijkheden en dat is er de oorzaak van dat het bij Graauwmans en Van den Bergh zo vaak misgaat. Vogelezang kent blijkbaar zijn eigen grenzen beter en zijn gedichten zijn dan ook mooi consistent en zitten metrisch goed in elkaar. Ook bij Vogelezang mag het nog wat scherper, mag de lezer meer worden uitgedaagd. Maar dat kan nog komen als hij zich verder ontwikkelt. Bladluis is in ieder geval een debuut met belofte en daarmee de meest interessante bundel van het viertal.

