Categorie “Eenzame uitvaart”

Even geen zin in reacties

Eenzame uitvaart 31: man in deuropening

in iedere deuropening
stokt het bestaan – je komt
of je gaat, bent nergens.

het is niet als een brug
waar je van uit kunt kijken
naar de belofte van een stad

die schittert in de verte, niet
als de loop waar je jezelf
met een klik in kunt verliezen.

in een deuropening ben je
niets dan onderweg –  je komt
of je gaat, blijven kun je niet.

Mijn moeder slaapt graag uit. Wat dat betreft mag ze zich gelukkig prijzen dat ze niet is toegetreden tot de poule des doods, want een uitvaart ‘via de gemeente’ is per definitie een vroege aangelegenheid. Dit keer vindt de crematie vrijdag om negen uur plaats, meldt de dame van de dienst Bijzondere Hulpverlening. Of ik dan kan. Het is vroeg. Maar ik kan. Of ze iets over de overledene weet. Ze weet iets. Maar niet veel. Aras is gevonden in een pand waar een onbekend aantal mensen – hoogstwaarschijnlijk allen zonder geldige verblijfsstatus – wonen. Zij troffen hem rond kwart voor vijf ‘s ochtends aan, hangend in een deurpost. Een rottijd om te sterven, denk ik meteen. Via de Litouwse ambassade wordt duidelijk dat zijn moeder nog leeft, niet naar Nederland kan komen, maar wel graag de as van haar zoon wil ontvangen. Verder heeft de recherche wat verfrommelde papiertjes in Aras’ broekzak aangetroffen. Daar blijkt uit dat hij mogelijk in Amerika heeft gewoond. Meer informatie is er niet. De bewoners zeggen hem niet te kennen. Hij sliep wel eens op de bank. Hij woonde er niet. Hij hing er ineens. Tsja.

Vrijdagochtend halen vriendin en ik een slaperige moeder op en rijden naar het crematorium. De uitvaartbegeleiders zijn blij dat ik muziek bij me heb. Ze hadden het er net over gehad, samen, over welke muziek je voor zo’n relatief jong persoon zou moeten kiezen. Geen ‘begrafeniskrakers’. Geen klassiek ook. Maar wat dan wel? We tekenen het condoleanceregister dat straks met de as wordt meegestuurd. Aras’ moeder zal drie namen zien staan. Die van mij. Die van mijn moeder. En die van mijn vriendin. Ik stel me voor dat ze zich af zal vragen wie we zijn en misschien zal denken dat we Aras goed hebben gekend. Ik denk dat ik dat een geruststellende gedachte vind. Zodra het ‘stilte’ lampje aanspringt, betreden we het zaaltje. Anthony zingt ‘Hope there’s someone / who’ll take care of me / when I die’. Als het nummer eindigt, loop ik langs de kist waar we een korenbloem en het ingelijste gedicht op hebben geplaatst en doe waar ik voor gekomen ben. Het prachtige ‘Highwayman’, niet in de versie van de oude countrykanonnen, maar van Arbouretum sluit de korte plechtigheid af.

Erg mooie muziek, vindt de uitvaartleider. Ik ben het met hem eens. De muziek leek echt bij de overledene te passen. Een vreemde gewaarwording. Emotioneel ook. Alsof deze dood niet ‘nodig’ was geweest, constateert mijn vriendin. Halverwege de koffie wordt het ingelijste gedicht terugbezorgd. Mag niet in de oven, tenzij we het glas verwijderen. De uitvaartleider heeft een beter idee. Gedicht en cd zullen condoleanceregister en as naar Litouwen vergezellen. Waarom de ambassade geen moeite heeft gedaan om Aras zélf naar Litouwen te laten vervoeren, blijft de vraag. Hij heeft toch een moeder. Vindt mijn moeder.

Even geen zin in reacties

Eenzame uitvaart nummer 26, Den Haag

I.M. Rashid Nehma Al-Mammoud, geboren in Basra, Irak (1959). Op 29 maart 2010 werd zijn stoffelijk overschot in zijn woning aangetroffen. De heer Al-Mammoud is op donderdag 6 april om 09:30 uur begraven op Oud Eik & Duinen. Dichter van dienst: Erwin Vogelezang.

mawwâl

er zijn woorden die aan dit gedicht voorafgaan
als zand voor wind, moeder voor kind, de bolling
van een gewaad waar het lichaam begint.

er is een leven dat aan deze dood voorafgaat,
een flessenhalsgroene fluistering, een oog
dat opent in de nacht; yā aīn, yā lail.

er zijn de sterren die u achterliet, ze bleven
voor wie handen in onschuld of olie wast
zijn ze gebleven – en niets wat u deed
was hen vreemd.

“Succes met schrijven”, besluit de e-mail van Eenzame Uitvaart coördinator Henk van Zuiden. Zo eindigen zijn e-mails wel vaker, maar dit keer gaat er helaas weinig bruikbare informatie aan vooraf. Wat er van ‘mijn’ eenzaam overledene bekend is, bestrijkt nog geen drie regels, waarvan er één wordt ingenomen door zijn volledige naam en nog eens een halve door de mededeling dat hij op 29 maart door de politie in zijn woning werd aangetroffen.

Telefonisch overleg met de gemeente leidt nauwelijks tot nieuwe inzichten. Wel bleek Rashid bijzonder dood te zijn; zo dood dat zelfs de geharde politieagenten zich er maar met moeite toe konden zetten om de woning (verwaarloosd, veel flessen) te betreden. En zoals zo vaak in dergelijke gevallen, zijn het de buren die de politie hebben ingeseind. Nee, niet daarom, maar omdat de brievenbus zo vol zat; iets dat uiteindelijk vooral te wijten blijkt aan een eind 2009 door energiebedrijf Eneco toegestuurde chocoladeletter. Maar verder? Rashid, die sinds 1995 in Nederland zou verblijven, had hier evengoed nooit aangekomen kunnen zijn.

Dus wat te schrijven? En welke muziek? Uiteindelijk stuit ik, na een vruchteloos gesprek met een vriendelijke dame van een Irakese culturele organisatie, via iTunes op een desolate mawwâl, waarvan ik de traditionele openingswoorden (yā aīn, yā lail : oh, oog, oh, nacht) leen en dat de begrafenisceremonie opent. Mijn vriendin, Henk en ik luisteren naar de muziek die door de achter een gordijn verscholen uitvaartleider wordt opgezet. Voor de rijen lege stoelen ligt Rashid in een kist waar we wat blauwe druifjes op hebben neergelegd. Ze liggen er even eenzaam bij als de muziek klinkt. “Ik hoop dat hij nu naar huis kan”, zegt mijn vriendin als we na de keurige ceremonie weer in de lentezon staan. Henk en ik knikken.

Even geen zin in reacties

Video: eenzame uitvaarten in Den Haag

Midden juni zond Kruispunt een item over gemeentelijke begrafenissen uit. Deels gaat dit over een eenzame uitvaart, waarvoor ik het gedicht mocht verzorgen. Het item begint na ongeveer 08:25 minuten uitzending.

Eenzame uitvaart nummer 21

Den Haag, Nieuw Eik en Duinen, 18 november 2009
I.M. Huib Jansen op de Tak, geboren op 25 januari 1947 en overleden op 10 november 2009
Dichter van dienst: Erwin Vogelezang

Dat er 50 manieren zijn om je geliefde te verlaten, is al sinds het midden van de jaren ’70 bekend. Vanaf vandaag weet ik dat er ook minimaal 51 manieren zijn om te sterven. Huib koos op zijn 62e voor de 51e manier. En zette met vaste tekenaarshand drie ferme strepen onder zijn bestaan. Wat rest zijn de geijkte vragen die ik, tegen beter weten in, toch stel aan de volumineuzige neef én kunstbroeder (“Hij stond eens in de tien jaar plotseling voor de deur en als hij weer was vertrokken, had ik eigenlijk geen idee waar het gesprek over ging”), de buurvrouw met de woonboot die Huib nog steeds zou kopen (“Soms schoot ik wel eens weg als ik hem aan zag komen lopen – als hij eenmaal op zijn praatstoel zat, kwam je bijna niet meer van hem af. Maar het was een hele vriendelijke man”) en de dame van de Soos (“Ik had met hem te doen. Hij had het over zijn overleden moeder alsof het gisteren was gebeurd”).

Maar het antwoord op de vragen waarom nu en waarom op deze manier? Ik vind ze niet. Ook niet in de brief die in zijn dossier is blijven steken, want hoewel letterlijk aan zijn ouders gericht, is de toon verraderlijk afstandelijk. Vader speelde piano, moeder bakte appeltaart, Huib blijft ongrijpbaar. En zijn tekeningen? Die heeft geen enkele aanwezige ooit gezien. Toch kan daar nog verandering in komen: het televisieprogramma Kruispunt, vandaag vertegenwoordigd door een cameraman, zal aandacht aan Huib’s dood besteden en aanwezig zijn bij het ontruimen van de woning. Een behoorlijke opgave, want zijn almaar uitdijende collectie watalnietenzusenzo (“Er hing al jaren een eenzame kerstbal in het raamkozijn”) was zo ver opgerukt, dat Huib slechts een leef- en sterfruimte restte van enkele vierkante meters.

Of het iets te maken heeft met de media-aandacht weet ik niet, maar dit is mijn eerste Eenzame Uitvaart waarbij de uitvaartleider het woord tot de aanwezigen richt. Hij zegt iets over stof. Maar dat vindt pas later plaats, als de kist met Huib afdaalt in het door hem enkele maanden geleden gereserveerde familiegraf (Vader, Moeder, Broer) en de herfstwind heerst. Eerst luisteren we binnen naar ‘The Proposition #1’ (Nick Cave & Warren Ellis), ‘Do not go gentle into that good night’ (Dylan Thomas, uitvoering van John Cale) en ‘Het Dorp’ (Wim Sonneveld), waar Huib in zijn brief aan refereerde. Tijdens de, ook documentair noodzakelijke, nazit-met-koffie krijg ik van de dochter van de buurvouw met de woonboot, toch nog een onverwacht inkijkje in de denkwijze van de overledene. Hij noemde haar altijd ‘de indiaan’. Zij heeft nooit goed begrepen waarom. Maar wie straks de documentaire bekijkt, ziet het direct: ook Zilverslang bewijst Huib vandaag de laatste eer. “Omdat ik vind dat het zo hoort,” zegt ze. Iedereen knikt.

appeltaartpiano

ik ben hier om de huid van een bestaan
om u te vouwen, omdat u zo moest waken,
omdat Vader dat voor Moeder vroeg.

ik ben hier omdat Broer er niet is,
omdat sterven mensenwerk, omdat was
steeds gedaan en vochtvoeten gezalfd.

ik ben hier omdat u kordate lijnen trok
om chaos buiten, herinnering binnen –
en om u in het midden, thuiskomend.

ik ben hier om wat u open hield te vullen
met uzelf, omdat u er drie harde strepen
onder zette, om Broer, piano, appeltaart.

iemand rook een dode heer

I.M. Hans A. Bauer (23 augustus 1929 – begin september 2009). Begraafplaats Nieuw Eik en Duinen, maandag 28 september 2009, 14:15 uur

ik had u zomaar kunnen zijn, veel is er niet
voor nodig: een kort gebrek aan hartslag,
een verstekeling in het bloed, een lang
gekoesterde staat van eenzaamheid.

ik stel me uw vertraagde val voor, verbaasd
vasthouden, de voeten verder steeds uiteen
en dat u even bang was om te breken, godbetert
in uw eigen huis een heup te breken,
want de hond.

of was uw hoofd daarvoor te vol van rook,
van eindeloos herhalen van wat moest;
de hond naar het bos, de pijp naar de mond,
de kolen naar de kachel?

ik ben hier om u gerust te stellen:
uw voeten vonden feilloos een weg.
uw hond vond het fijn u te volgen.
u heeft volbracht.

“Een wat vreemde man, die het meisje van de dierenwinkel steeds over hetzelfde krantenartikel vertelde en afwezig overkwam,” zegt de vriendelijke medewerker van de gemeente. “Een man ook, die slechts één keer in zijn leven is verhuisd. Met zijn ouders vanuit Duitsland toen hij twee was.” En: “Hij stookte nog kolen. Op zijn bureau vonden we een briefje van de kolenleverancier. Die hield er mee op en kon sinds mei niet meer leveren.”

Dat laatste komt de buren – de eenzame uitvaart wordt opgeluisterd door een echtpaar van middelbare leeftijd (“Hans was een stugge, maar we hadden allebei een hond en dat schept een band,” aldus de man) een jongere en een wat oudere buurvrouw – bekend voor. “Daar maakte hij zich wel zorgen over, ja. Dat hij van de winter niet zou kunnen stoken.” Ook de huiseigenaar die zich inmiddels per Bentley cabrio bij het gezelschap heeft gevoegd, is bekend met het kolenverhaal: “Hij gaf niks om gas.” Toch moet Hans, zelf van Duitse afkomst, maar fel anti-Duits (“allemaal Nazi’s!”), wel degelijk een vinger aan de hedendaagse pols hebben gehad. Want hij mocht dan wel op kolen hebben gestookt, bij binnenkomst van de woning trof de politie ook een ingeschakelde laptop aan. Buurman geeft uitsluitsel: “Op een gegeven moment kwam ‘ie op me af en vertelde triomfantelijk dat ‘ie internet zou nemen. Dat moet je doen, Hans, zei ik toen.” “Hij zat heel vaak achter die computer,” weet één van de buurvrouwen die “al vermoedde dat er iets niet helemaal goed zat.” “Hij klaagde over hoge bloeddruk en duizeligheid,” vult buurman aan. “Als je hem op zijn fiets zag stappen, hield je je hart vast.”

Waar minder duidelijkheid over bestaat, is de vraag of zich achter de vele sloten van zijn woning wellicht een aardig geldbedrag bevond. Voor iemand met zoveel sloten, was Hans in ieder geval verrassend open over dit vermeende appeltje voor de dorst: alle buren blijken het verhaal te kennen. “Hij vertelde altijd dat hij wat geld had en vond het belangrijk dat we dat wisten. Voor als hij opgenomen zou moeten worden.” Hoewel de verwaarloosde staat van zijn woning – inclusief de acht jaar oude ‘halve Labrador’ die inmiddels in het asiel op verlossing wacht – misschien anders doet vermoeden, had Hans het verzekeringstechnisch in ieder geval goed geregeld. Dit is dan ook mijn eerste eenzame uitvaart die met koffie en cake – kan er normaal gesproken nooit vanaf – wordt afgesloten. “Zo zou hij het ook gewild hebben,” vertelt buurvrouw drie, een zachtaardige dame die het gedicht (“het klopt echt!”) graag mee naar huis neemt. “Een keurige begrafenis. Daar hechtte ‘ie waarde aan.” En aldus geschiedde. Gelukkig waren er mensen om dit laatste gebaar op waarde te schatten. Namens ons allen: bedankt voor de koffie, Hans.

Even geen zin in reacties

Eenzame uitvaart nummer 12

I.M. Janusz Nowicki, geboren op 31 mei 1969 in Bychawa, Polen, overleden te Den Haag op 20 april 2009. Begraafplaats Nieuw Eik en Duinen, maandag 4 mei 2009 om 09:00 uur. Dichter van dienst: Erwin Vogelezang

Het gegeven dat er een stoffelijk overschot in de Haagse Prinsessegracht is gevonden, leidt op een internetforum al snel tot een klaagzang over de onveiligheid die zo kenmerkend is voor de huidige tijd of althans als zodanig wordt ervaren. Toch is Janusz niet door geweld om het leven gekomen. Hoewel: op basis van de weinige feiten zou je voorzichtig kunnen concluderen dat misschien sprake was van ‘vertraagde zelfmoord’, want de 39 jarige Pool zou – het landscliché indachtig – een groot liefhebber van alcohol zijn geweest. En ook de associatie met geweld is niet eens zo vergezocht. Alcohol en Janusz lagen elkaar immers minder goed dan Janusz zelf moet hebben aangenomen.

Dat hij in beschonken toestand agressief gedrag vertoonde, dat hij een door zijn (tijdelijke) werkgever ter beschikking gestelde caravan onlangs grondig ‘renoveerde’ en dat zijn moeder nog steeds in Polen woont; het zijn de weinige feiten waaruit ik een gedicht moet ‘destilleren.’ Verder is er vooral veel onduidelijk. Hoe (dronken? epileptische aanval?) Janusz te water is geraakt bijvoorbeeld. En wat hij überhaupt in Den Haag deed. Dat de Poolse ambassade het gedicht – in vertaalde vorm – naar de moeder opstuurt, maakt het nog lastiger om een waardige tekst te produceren. Moet ik Janusz portretteren als een zachtaardige man, die altijd het beste met de wereld en zichzelf voorhad? Moet ik zijn moeder ‘post mortem’ op zijn vermeende tekortkomingen wijzen? De makkelijkste weg – het is tenslotte 4 mei – leidt tot een nogal onpersoonlijke eerste versie. Kiezen voor flarf? Maar wat zegt ‘onze’ dodenherdenking of een flarfgedicht een zoonloze moeder in een Pools kwartstadje? Uiteindelijk besluit ik om het gedicht wat traditioneler op te zetten en een sentimentele wending te geven. Want dichten voor de doden, is soms ook dichten voor de levenden.

Janusz gaat op reis

It’s a wonderful life – if you can find it (Nick Cave, ‘Wonderful Life’)

van Bychawa naar Lublin naar Tilburg tot hier:
iedere bestemming een belofte, iedere aankomst
bier. soms dronk je op stations, winterhard

tegen het wachten, vaak op het verleden, zelden
samen en altijd alleen. we gunden je een caravan
om in te wonen, een baan om voort te bestaan,

legden uit dat je een productiemedewerker
en buitenlandse collega was. jij stapelde boze
blikken; bonen in de ochtend, Żywiec daarna.

toch: in de buik van de vrouw die nu opnieuw
de dagen aftelt tot je komst, was je een belofte.
naar huis, naar haar, bleef je altijd onderweg.

Ik lees het tijdens de crematieplechtigheid voor een publiek van drie; mijn vriendin en twee medewerkers van de uitvaartorganisatie. Het ingelijste gedicht en een vers geplukt bosje vergeet-mij-nietjes staan op de kist. We’ll Meet Again (Johnny Cash) en een live uitvoering van Cohen’s Bird on a Wire later (de door ons opgestuurde cd is niet aangekomen, dus we doen het met tweede keuzes), staan we weer buiten. Ook wij gaan naar huis.

Even geen zin in reacties

Eenzame Uitvaart nummer 6

I.M. Paolo Carpentieri, geboren op 6 december 1929 in Tilburg, overleden te Den Haag op 23 januari 2008. Begraafplaats Oud Eik en Duinen, woensdag 30 januari 2008 om 11.00 uur. Dichter van dienst: Erwin Vogelezang

Wat ik bij het schrijven van het gedicht niet wist is dat meneer Carpentieri de zoon was van een van de vele Italianen die aan het begin van de 20e eeuw naar Nederland emigreerden om in de granietindustrie te gaan werken. Dat meneer Carpentieri timmerman was wist ik evenmin. En dat hij, het lievelingetje van zijn moeder, muzikant was had ik zelfs niet kunnen raden. Toch: meneer Carpentieri speelde in de jaren ’50 en ’60 drums in een band waarvan ook zijn broer deel uitmaakte. De buren hebben het geweten, want de Carpentieri’s oefenden thuis en – tsja – die oude huizen zijn knap gehorig. Bovendien hielden de heren muzikanten er tijden op na die niet altijd even goed aansloten op het natuurlijke ritme van hun noestwerkende generatiegenoten.

We weten dit nu omdat zich vijf minuten voor aanvang van de plechtigheid – stemmig weertype, dito dragers – een vroegere buurman meldde. Hij had de overlijdensadvertentie in de krant gelezen en bleek oprecht ontroerd. Misschien omdat hij Paolo sinds 1966 niet meer had gezien. En misschien omdat diens overlijden hem op zijn eigen sterfelijkheid attendeerde. Want ook buurman had de dood in de ogen gekeken. Buurman was zelfs even “afgeschreven” geweest, als een beduimeld bibliotheekboek. Een pacemaker “met drie draden” had zijn leven gered. Hij mocht zelfs weer rennen. Het voelde als een wedergeboorte. Toen ik hem vertelde dat hij statistisch gezien dus nog minimaal 70 jaar te leven had moest hij lachen. Daarvoor had hij gehuild. Om Paolo, die hij zich nog zo goed kon herinneren. Om het leven. En om de dood. We gaven hem ons sneeuwklokje en het ingelijste gedichtje. Om op de kist te zetten, wat hij deed. Bij het afscheid van Paolo sprak buurman enkele woorden. Bij het afscheid van ons zwaaide hij – beide armen in de lucht.

paolo’s pedalen

van het begin weten we niets – er is een begin
denkbaar dat troost biedt; hand in de holte van je rug,
papiertjes tussen de spaken, een zonwarme vlag
haar achter je aan. een wonder, vond moeder,
en jij vond dat van haar.

van wat volgde weten we dit – er was een vrouw,
er waren geen kinderen, een huis vol geen kinderen
en jij. misschien wilde je vliegtuigjes voor ze vouwen,
een palazzo van tetra-paks bouwen, je liet na
voor wie ongeboren of gestorven was.

we weten wat we vonden – scartabello, briefjes, tijd
die kwam en ging. het zou iets kunnen betekenen
voor hen die achterbleven. maar niemand blijft achter,
paolo, we volgen allemaal, hoog op de pedalen,
haar in de wind, geratel tussen de spaken.