zaterdag
ze was weer in de heer gaan geloven. het gebeurde
die middag rond drieën. ze had gehakt gekneed en
haar handen gewassen. de heer speelde solitaire
met de kaarten van hun moezelcruise. hallo, zei ze.
de heer keek niet op: het regende niet eens.
zondag
die dag kwam er geen bezoek. de vrouw en de heer
stelden een programma samen. de heer begon. daarna was
de vrouw aan de beurt om op de klok te kijken. soms
sukkelden ze even weg. dan keek de klok naar hen
en werd het sneller later.
maandag
de afstandbediening lag kaarsrecht naast de troskompas.
dinsdag
dwaalden ze door gangen met bruine vloerbedekking.
hier en daar stonden tuinmeubels voor deuren, hingen
ingelijste kleinkinderen, brak de zon door op vastgelijmde
puzzels van 10.000 stukjes of meer. hij borstelde haar
klitten uit onder het meisje van vermeer.
woensdag
ze waren in elkaar gaan geloven in haar kamer
met het opklapbed waarop ze halma speelden en later
ganzenbord. zij woonde op twee hoog naast het platje
met de duiven van zijn vader. hij sloop steeds behendig
tussen het geritsel door. hiervan droomden ze, zijn hand
over de hare, een gevlekte vleugel over een duivenei.
donderdag
trok de heer zijn goede pak aan terwijl zij sliep, speldde
medailles op, trok mouwen over dunne polsen en zat
op de rand van het bed totdat het lichter werd.
vrijdag
zij kookte lof omdat hij dat kon kauwen, streek toen
de lakens nog een keer, niet om het een of ander
maar om iets te doen te hebben. die avond brak de heer
het brood, schonk koffie bij de melk, stopte haar lichaam
in voor de nacht. zij sliepen lang en zacht.