uit wat overblijft na groot verlies
schiep zij een land
om in te dwalen.
trok eerst met vingers
in roodrechten
over het gespannen stil van huid
totdat daaraan weer grenzen waren.
riep hem terug als een echo
uit de roerloze diepte van zijn mond.
balde haar vuist tot zon
en hing die boven hem
als in een wieg.
verkende iedere moedervlek opnieuw
en legde daartussen wegen aan
en bruggen, niet
om vanaf te springen
maar om van uit te kijken
zoals een kind dat doet.