Categorie “Gedichten”

20/20 vision

Dit was het jaar van de onwaarheid:
een draad-gehaarde Engel appt
1.726.392 zielen dat ze bestaan

en dat hun dochters, zonen, kleinkinderen, mama’s, papa’s, opa’s, oma’s, nichten, neven, vrienden, vriendinnen, collega’s, school-, buurt- en bedgenoten
zich in hun passeren hebben vergist.

Geen bed was leeg.
Geen hand tastte aarzelend naar afwezigheid.
Geen app bleef onbeantwoord.

Dit was het jaar van de onwaarheid:
Blackwater wast witter.
Novichok is een fashion brand.

en onze dochters, zonen, kleinkinderen, mama’s, papa’s, opa’s, oma’s, nichten, neven, vrienden, vriendinnen, collega’s, school-, buurt- en bedgenoten
hebben het niet gewusst,

omdat wij het ook niet wisten.

Laat geen bed leeg blijven,
geen hand tasten.
App 1.726.392 maal stilte.

Zon, God, stuiver, hart

Voor Wiebe

Voor niks gaat de zon op. Aldus god de vader.

Maar voor een meer gerenommeerde God
is de zon slechts een peertje
aan het uitdijend plafond.

Heeft God goed geslapen? Hij laat de zon op
in de ogen van een meisje.
Laten we haar Marjan noemen. Eva. Eleni.

Is God minder goed gemutst,
dan gaat ze schielijk onder: een stuiver
aan de horizon van een spaarpot.

Soms droeg je vroeg gedoofde zonneogen op handen.
Dan was de zon zwaar. Soms droeg het land haar.
Dan was ze licht, waarin duizend aren knipperden.

Voor niks gaat de zon onder. Op het laatst, misschien
in een hart dat bij elkaar hangt van schroefjes
en moertjes. Het loopt op het veertje van een oude klok.

Tik tok.
Tik tok.
Alles doet het nog.

De zin van het leven

Op een vapefeest vraagt een vage vriend
geëmotioneerd naar de zin van het leven,
waarmee hij vooral het zijne bedoelt.

Ik verzwijg het antwoord
zoals het een dichterlijk genie betaamt
met goddelijke zeggingskracht.

Thuis besluit ik het alsnog groothartig
vast te leggen in een gedicht
dat vrijwel alle vragen overbodig maakt:

in de kinderstoel doet mijn dochter
brrm brrrrm brmmm brrrrrrm
tegen een traag passerende vis.

De vraag rest of dat zinnig is.

96

en je opent dezelfde deur / en ik zou je niet aan je mond hebben herkend
en ik zou je niet aan je kont hebben herkend / en je hebt echt

oneindig veel oneindig beeldige kinderen / en je kinderen doen gaga
na / en ik weet niet wat gaga is / en ik moet bugaaboe even opzij schuiven

en ik weet niet wie bugaaboe is / en ik struikel over beeldige kinderen
en ik struikel over een kinderwagen / en ik volg een kont die ik niet herken

en ik herinner me de warmte van een kont / en hoe die warme kont
twee handen vulde / en ik herinner me hoe warm verlangen plots kon kloppen

en ik richt de champagne als een warmkloppend pistool / en ik zeg
pang! / en je buigt een vinger die ik niet herken / en al je kinderen zeggen pang!

en ik volg een kont die ik niet herken / en ik ben in een kamer die ik niet herken
en er valt een stilte die ik niet herken / en sommige kinderen doen gaga na

en andere kinderen huilen / en ik zeg dat je beeldige kinderen hebt / en je vraagt
of ik kids heb / en ik zeg nee / en je hoort het niet omdat de kinderen huilen

en de kurk zegt pang! / en we drinken champagne op een bank die ik niet herken
en de meeste kinderen doen gaga na / en ze zijn beeldig / en ze huilen niet

eens zo vaak / en ze missen hun vader maar een beetje / en het is lang geleden
dat je champagne dronk / en je drinkt eigenlijk helemaal niet meer

en je danst niet als een slaapdronken vlinder / en je weet ook niet precies
wat ik daar eigenlijk mee bedoel / en je vraagt of ik kids heb / en ik zeg nee

en ik volg een kont die ik niet herken / en je opent dezelfde deur / en ik zeg dag
en jij zegt dag / en sommige kinderen huilen / en we herinneren ons niet

werk aan de horizon

het is lang geleden
dat de zon opkwam.

de horizon is bezet
door boze wolken.

ik zal ze met dodelijke
precisie omschrijven.

de zon kreeg ik er zo
al schitterend onder.

golfjes tellen

(voor A. 1969-2014 – ride in peace)

de eerste golf is een stipje
aan de horizon van je bestaan.
je berijdt ‘m met achteloze souplesse;
handjes in de lucht, beste beentje voor,
blik op open raam.

de tweede golf ontneemt je de adem
als een kitelijn om je hals. dromend
vul je voetstappen met zand.
wakend hoest je weke kokkels op.

de derde voert verstekelingen aan
die door je bloedbaan razen. ze zetten
tentjes in je op. je voedt ze
wat je hebt. ze willen meer,
ze willen woekeren.

de vierde golf geeuwt onder water
als een haai. je spartelt en komt boven,
spartelt en komt boven; visgraatvingers
op laagstaand laken.

de vijfde golf is een berg. als je de top redt
mag je weer naar bed.

zes: je schuimbekt als de branding.

de zevende golf is zee.
ze houdt haar adem in,
je doet nog zeven tellen mee.

klop klop

we zwemmen in ondieper water.
we groeien waadvogelpoten.
we verdrinken niet.

we ademen ijlere lucht.
we koesteren onze stilte.
we verzwijgen niet.

we zien in zachter licht.
we kneden harten van zon.
we verbranden niet.

we waden, we ademen,
we kloppen (klop?
klop) nog.

in sommige gedichten

hij zocht een meisje met wild
woekerende haarwortels, oneffen
glimlach en een aura van babyvet.

zij vond zichzelf opnieuw uit
in de plooien van kleermakers
zitboeken, het ontvouwen van spijt.

in sommige gedichten komen ze
nog samen of tegelijk; in andere
bloeden kinderen bloemen uit,

een sterk verhaal

en op de achtste dag
besloot ik mezelf te scheppen
uit de kuil waarin ik als kind gevallen was.

ik had een groen schepje
– onbreekbaar plastic –
van het merk madeintaiwan.

eenmaal uitgegraven
beviel ik mezelf zo goed
dat ik jou schiep.

ik droeg een paarse cape
met gouden epauletten
en blauwe kwastjes

waarmee ik lucht schilderde,
en ik was verbaasd
want je borst ging op en neer.

ik zuchtte wat wolken
om samen op weg te drijven
en aldus geschiedde.

jij mocht me God noemen
of Erwin. dat is het dus geworden.

Eenzame uitvaart 31: man in deuropening

in iedere deuropening
stokt het bestaan – je komt
of je gaat, bent nergens.

het is niet als een brug
waar je van uit kunt kijken
naar de belofte van een stad

die schittert in de verte, niet
als de loop waar je jezelf
met een klik in kunt verliezen.

in een deuropening ben je
niets dan onderweg –  je komt
of je gaat, blijven kun je niet.

Mijn moeder slaapt graag uit. Wat dat betreft mag ze zich gelukkig prijzen dat ze niet is toegetreden tot de poule des doods, want een uitvaart ‘via de gemeente’ is per definitie een vroege aangelegenheid. Dit keer vindt de crematie vrijdag om negen uur plaats, meldt de dame van de dienst Bijzondere Hulpverlening. Of ik dan kan. Het is vroeg. Maar ik kan. Of ze iets over de overledene weet. Ze weet iets. Maar niet veel. Aras is gevonden in een pand waar een onbekend aantal mensen – hoogstwaarschijnlijk allen zonder geldige verblijfsstatus – wonen. Zij troffen hem rond kwart voor vijf ‘s ochtends aan, hangend in een deurpost. Een rottijd om te sterven, denk ik meteen. Via de Litouwse ambassade wordt duidelijk dat zijn moeder nog leeft, niet naar Nederland kan komen, maar wel graag de as van haar zoon wil ontvangen. Verder heeft de recherche wat verfrommelde papiertjes in Aras’ broekzak aangetroffen. Daar blijkt uit dat hij mogelijk in Amerika heeft gewoond. Meer informatie is er niet. De bewoners zeggen hem niet te kennen. Hij sliep wel eens op de bank. Hij woonde er niet. Hij hing er ineens. Tsja.

Vrijdagochtend halen vriendin en ik een slaperige moeder op en rijden naar het crematorium. De uitvaartbegeleiders zijn blij dat ik muziek bij me heb. Ze hadden het er net over gehad, samen, over welke muziek je voor zo’n relatief jong persoon zou moeten kiezen. Geen ‘begrafeniskrakers’. Geen klassiek ook. Maar wat dan wel? We tekenen het condoleanceregister dat straks met de as wordt meegestuurd. Aras’ moeder zal drie namen zien staan. Die van mij. Die van mijn moeder. En die van mijn vriendin. Ik stel me voor dat ze zich af zal vragen wie we zijn en misschien zal denken dat we Aras goed hebben gekend. Ik denk dat ik dat een geruststellende gedachte vind. Zodra het ‘stilte’ lampje aanspringt, betreden we het zaaltje. Anthony zingt ‘Hope there’s someone / who’ll take care of me / when I die’. Als het nummer eindigt, loop ik langs de kist waar we een korenbloem en het ingelijste gedicht op hebben geplaatst en doe waar ik voor gekomen ben. Het prachtige ‘Highwayman’, niet in de versie van de oude countrykanonnen, maar van Arbouretum sluit de korte plechtigheid af.

Erg mooie muziek, vindt de uitvaartleider. Ik ben het met hem eens. De muziek leek echt bij de overledene te passen. Een vreemde gewaarwording. Emotioneel ook. Alsof deze dood niet ‘nodig’ was geweest, constateert mijn vriendin. Halverwege de koffie wordt het ingelijste gedicht terugbezorgd. Mag niet in de oven, tenzij we het glas verwijderen. De uitvaartleider heeft een beter idee. Gedicht en cd zullen condoleanceregister en as naar Litouwen vergezellen. Waarom de ambassade geen moeite heeft gedaan om Aras zélf naar Litouwen te laten vervoeren, blijft de vraag. Hij heeft toch een moeder. Vindt mijn moeder.