Posts met de tag “dood”

Los zijn wij niet verkrijgbaar (Ton van ’t Hof)

Things don’t change fast enough
– Bruce Andrews

Los zijn wij niet verkrijgbaar
behalve dan in religieuze kringen: dat we dood gaan
dat had je gedacht
want je wilt ongewenste dingen graag veranderen
en dus focus je je daar dan op

verwerpt het gewoon
dat het een vorm van indekken is
zoals het stilstaan
bij haar eerste paar borsten

de synthetische creatie als splijtzwam
van primitieve Afrikaanse kunst, niet minder
dan zeven leden overleden
omdat ze verlegen zaten om een praatje
maar er kwam geen stoel extra bij, kapelaan

dat onze God die afdaalt uit de hemel
met behulp van 2 mm balsa
de ophaalbrug moge inzetten tegen het risicodenken
over die materie waar, erewoord
geen twijfel over kan bestaan

Zo wil de legende
dat hij in 1641 naar een dame aan de overzijde riep
dat zijn penis, een vernuftig dingetje in het licht
van de eeuwigheid, als de drank
zou zijn uitgewerkt, over het koude zwarte water heen
naar haar ganse kosmos zou komen reiken

en dat ook deed
Dit is zo fantastisch aan Frankrijk

La Grande Bouffe

De omringende wereld verdwijnt niet
maar treedt tegemoet in een er-de-weg-niet-meer-in-weten

naar het vliegveld van Tasjkent
die dag dat jij ging
dat de wind maar altijd in je rug blijft blazen

alles waar ik van houd
maar de logica verbiedt het

dat wat voorbij en afgesloten lijkt
zoals een gedicht doet
of de man, wiens vrouw al vijftien jaar in coma ligt
en die zich beide oren tijdens een vakantie af laat snijden
maar wat is het alternatief?

Yo, waar de fuck ben ik?

de dood van de poëzie (Willem Bongers)

Hoort u hoe die enorme kinderen gillen en gillen
als ze de eeuwigheid binnentreden?

Commercieel blijkt het een tekenfilm,
de taal die, echter altijd ontdaan van zijn belang,
gelogenstraft door nieuwe eigen dynamiek,

Of nog anders uitgedrukt:
de taal ontzenuwd, van haar betekenis ontdaan
men geeft en geeft en wordt niet eens meer weerlegd,

maar steeds weer blijken deze te kunnen worden gereanimeerd
er is immers niets zo stereotiep als de Grote Thema’s, en het spreken

Of nog anders uitgedrukt:
op één van de Neruda-posters in de winkel staat een vrolijke tekening
van de nieuwe situatie:

de leugen van een dynamica die nooit meer wordt weerlegd

6 (Mark van der Schaaf)

Van de plas is een vis gevonden
met aan de ene kant een tekening met het woord.
Het doet me denken aan een Chinees gezegde:
„Breng de vis niet naar Mohammed
naar een dieper gevoel in jezelf”

want liefde is een tekening van een paarse reus
zonder armen met maar één oog, een subversieve
strategie ten opzichte van degene die vindt
haar vermoorde dochtertje

niet in metrum en rijm, maar op het oog
ziet ze wat verfsporen en stickers, dan is
datgene wat je weglaat vaak belangrijker
dan wat je toont.

visvaderurn

hoe wordt een verhaal over een vader geloofd? was ik wetenschapper,
ik zou willekeurige feiten presenteren, zoals ‘gladde hoed, bij vochtig weer’,
‘alcohol beschermt zijn hersenen bij een hoofdwond’ en ‘vaders bestaan
uit een blauwdruk met eiwitmantel en vangen prikkels op’,
waarna hij gedwongen wordt een vis te eten en in een urn verdwijnt.

maar dichters zijn heteroroof en moeten afgestorven cellen vervangen
met stoffen uit levende wezens. daarom proberen we vreemde indringers
te omhullen en te verteren, waarbij schoonheid een selectiecriterium
en vis een rijke bron van DHA is. er zijn goedkopere, maar een duurzame
urn is er vanaf pakweg 200 euro. in principe wel.

voor dichters én wetenschappers geldt: je mag de urn neerzetten,
in de tuin begraven of bijzetten in een galerij. onze diepste angst
is dan ook niet dat we onmachtig zijn (een verschijnsel dat de omgang
met vader juist vergemakkelijkt), maar dat de magie wordt vernietigd
door haar te ontleden in delen vis, vader, urn.

bedenk hierbij wel dat poëzie en wetenschap conservatief zijn;
zonder toestemming zijn voortplanting en reproductie niet toegestaan.
urnen weten dit, vissen vermoeden het en vaders sterven vaak
van eenzaamheid (hoi ma, is alles goed met jou?). voor wie desondanks
in oneindigheid wil rekenen; het gaat allemaal over wat over is –
een vis in een vader in een urn. na vier weken mogen Duitsers
de as mee naar huis nemen.

Eenzame Uitvaart nummer 6

I.M. Paolo Carpentieri, geboren op 6 december 1929 in Tilburg, overleden te Den Haag op 23 januari 2008. Begraafplaats Oud Eik en Duinen, woensdag 30 januari 2008 om 11.00 uur. Dichter van dienst: Erwin Vogelezang

Wat ik bij het schrijven van het gedicht niet wist is dat meneer Carpentieri de zoon was van een van de vele Italianen die aan het begin van de 20e eeuw naar Nederland emigreerden om in de granietindustrie te gaan werken. Dat meneer Carpentieri timmerman was wist ik evenmin. En dat hij, het lievelingetje van zijn moeder, muzikant was had ik zelfs niet kunnen raden. Toch: meneer Carpentieri speelde in de jaren ’50 en ’60 drums in een band waarvan ook zijn broer deel uitmaakte. De buren hebben het geweten, want de Carpentieri’s oefenden thuis en – tsja – die oude huizen zijn knap gehorig. Bovendien hielden de heren muzikanten er tijden op na die niet altijd even goed aansloten op het natuurlijke ritme van hun noestwerkende generatiegenoten.

We weten dit nu omdat zich vijf minuten voor aanvang van de plechtigheid – stemmig weertype, dito dragers – een vroegere buurman meldde. Hij had de overlijdensadvertentie in de krant gelezen en bleek oprecht ontroerd. Misschien omdat hij Paolo sinds 1966 niet meer had gezien. En misschien omdat diens overlijden hem op zijn eigen sterfelijkheid attendeerde. Want ook buurman had de dood in de ogen gekeken. Buurman was zelfs even “afgeschreven” geweest, als een beduimeld bibliotheekboek. Een pacemaker “met drie draden” had zijn leven gered. Hij mocht zelfs weer rennen. Het voelde als een wedergeboorte. Toen ik hem vertelde dat hij statistisch gezien dus nog minimaal 70 jaar te leven had moest hij lachen. Daarvoor had hij gehuild. Om Paolo, die hij zich nog zo goed kon herinneren. Om het leven. En om de dood. We gaven hem ons sneeuwklokje en het ingelijste gedichtje. Om op de kist te zetten, wat hij deed. Bij het afscheid van Paolo sprak buurman enkele woorden. Bij het afscheid van ons zwaaide hij – beide armen in de lucht.

paolo’s pedalen

van het begin weten we niets – er is een begin
denkbaar dat troost biedt; hand in de holte van je rug,
papiertjes tussen de spaken, een zonwarme vlag
haar achter je aan. een wonder, vond moeder,
en jij vond dat van haar.

van wat volgde weten we dit – er was een vrouw,
er waren geen kinderen, een huis vol geen kinderen
en jij. misschien wilde je vliegtuigjes voor ze vouwen,
een palazzo van tetra-paks bouwen, je liet na
voor wie ongeboren of gestorven was.

we weten wat we vonden – scartabello, briefjes, tijd
die kwam en ging. het zou iets kunnen betekenen
voor hen die achterbleven. maar niemand blijft achter,
paolo, we volgen allemaal, hoog op de pedalen,
haar in de wind, geratel tussen de spaken.

tableau vivant met twee christenen

meneer De Vries een boer
gooit houten kruizen naar de hemel
als plots zijn zoon

nog even blond en zichtbaar dood
gewoon in overall
het pad betreedt.

alsof er niets gebeurd is
zegt hij
zijn vader goedendag.

loopt dan dezelfde weg
als hij terug
gekomen is weer af.

de zon is stil.

mevrouw De Vries een boerin
slaat geraapte kruizen op
in weckflessen voor later.

notitie

je denkt aan dode mensen, leest hun brieven,
volgt de letters met je vinger. vreemd en sierlijk;
de kalligrafie van de dood.

als meisjes van nu straks sterven
ondertekenen zij hun laatste kaart
met :(-tjes op de i en xxx-jes.

zwaai je haar uit alsof ze op vakantie gaat,
op weg is? grap je: ‘we gaan op reis meis,
maar wat nemen we mee?’

en vind je later wat zij achterlaat?
kaarten in haar tas, toegestane roodstand,
schaamstreep op matras.

‘ze hield van tulpen, schelpenspiegels, de liefde,
en bezoek. ze leed aan ludduvuddu,
leggings en lymfeklierkanker.’

het is genoteerd.

 

van een man in de nacht voor een raam

kijkt door een raam, ziet zwart, een uitgelopen restje
blauw. bedenkt een troebele melkweg of dat een open
gesneden rokerslong niet leeg is, maar met niets is
gevuld, dat wat het iets omvat, het tussen de tanden

neemt, door elkaar schudt, opnieuw ordent, terug
brengt tot de kern: cel in een membraan. een man
in een kamer voor een raam drukt zijn vingertoppen
tegen het glas, wil naar buiten, wil buiten woekeren.

komt in opstand tegen het niets, vervloekt de belofte
van iets. van lucht, een ziel, een kans, een opening,
een doorgang naar elders of eerder, een wormgat door
de tijd, zoals hij zich zijn vader herinnert, zomaar

weet dat het onvermijdelijk wordt om bretels te kopen.
houdt zijn broek op, heeft plotseling met twee handen
iets te doen. blijft vannacht nog, blijft voor het raam.

ik weet niets

vaak vraagt men mij of ik van dit
of dat iets afweet. ik ontken alles.
en als men het nogmaals vraagt
ontken ik dubbel:

nee, van dit of dat heb ik
geen kennis, niets
weet ik van dit of dat.

modieuze ziektes, zaadontlasting, dood.
drugs, depressies, diepzeeduiken.

men verdenkt mij van kennis van de vreemdste zaken.
men schroomt niet om mij te consulteren.
men vermoedt dat ik thuis ben
om over hen te waken.

maar ik heb spelletjes te doen, confetti
rond te strooien, de vruchten van mijn arbeid
te verbrassen. ik heb na te denken
over de zin van deze zin, de zinloosheid
van deze.

Een kleine vertelling (Geveejes)

Ik?

Ik heb kanker.
Ik lig hier al weken.
En ik word goed verzorgd.
Door vrouwen.

Vrouwen die ik zonder nooit zou hebben leren kennen.
Vrouwen gekleed in het wit.
Als bruidjes.
Verzorgend, bezorgd, maar ook doortastend.

Ik koester mijn kanker.
Ik lig hier goed.
Ik word volledig gecompenseerd.

Regelmatig wordt het in mijn buik betast.
Zachte handen.
Waarbij een stem.
‘Doet het pijn?’
Alsof er gevraagd wordt: ‘Nog een keer?’

Nee, er is niks mis mee.
Met een beetje kanker hebben zo op het laatst.
Dat zei m’n buurman ook.
Gisteren.
Vanmorgen mocht hij naar huis.

Ik heb geen vrouw.
Hij wilde eigenlijk ook niet.
Mijn buurman.
“Zuurtaart” dat zei hij.
Nu is hij weg.
Vrouwledig ondergedompeld.

Mijn piemel lange tijd al niet meer gezien.
Of aangeraakt.
Een berg ligt er voor.
Een berg van pijn zeg maar.
Alleen nog om te worden gewassen ligt ie daar.
Die piemel.
Door de witbruidjes.

Plassen doe ik uit mijn linkerheup tegenwoordig.
Tenminste in zoverre ik dat kan inschatten.
Regelmatig wordt daar wat gerommeld.
Door de zachte handen.
Aan mijn darmblaasje, van plastic.

Vanmiddag krijg ik nieuw gezelschap.
Zo is me beloofd.
Met hetzelfde.
Kunnen we het erover hebben.
Zo glimlachte het uit het wit.
Een meetlint zou dan wel handig zijn.
Zo dacht ik nog.
Dan kunnen we meten.
Meten wie de grootste heeft.
Ik vertrouw erop dat mijn berg het zal winnen.

Ik lig pal voor het raam.
Mocht opschuiven.
Nadat mijn voor vorige buurman plots weg was.
s’ Nachts.
En terwijl ik sliep.

Zomer, behoorlijk zomer daarbuiten.
Bruin steekt binnen af tegen wit.
Mijn onthaarde huid zou ook wel wat…
Later, later.
Eerst de nieuwe aanbieding doorwerken.
Het nieuwste van nieuwste.
Zo zei de specialist.
En of ik dat wel wilde.
Natuurlijk wilde ik dat.
De vorige had ik toch ook gedaan.

De witmeisjes waren vanaf het begin lieftallig.
Als ik het vroeg hielden ze me een spiegel voor.
Nu weet ik het wel.
Alleen mijn schaamhaar…
Maar ik durfde er niet naar vragen.

Dat ik niet meer lekker kan eten.
Dat is wel jammer.
Met veel glimlach op wit zetten ze het voor me neer.
Maar de berg protesteerde direct met pijn.
Werd ik door een van mijn vrouwen gevoerd.

Via een sonde krijg ik nu bijvoeding.
Wel grappig, voedsel van plastic naar plastic.
Ik daar nog even tussen.
Als een oorzakelijk verband.

Gek eigenlijk.
Nooit zo gehouden van bloemen.
Er nooit op gelet ook.
Maar nu hier.
Voor het raam liggend.
Zou ik ze willen plukken.
Hun geur van horen zeggen willen opsnuiven.

Deze nieuwe zegt niet veel.
Gisteren binnengebracht.
Door zijn vrouw.
De geschiedenis zal zich toch niet herhalen.
Veel stilte.
Maar de woorden zullen wel komen.

Dat ik het hier naar mijn zin heb.
Dat is wel lekker.
Alleen ik slaap zo veel.
Soms word ik wakker zonder benul.
Moet ik alles in het plafond nagaan.
En dan nog met moeite.

Het bed van mijn jeugd.
Daar word ik de laatste tijd vaak op wakker.
Mijn moeder die aan m’n schouders schudt.
‘Wakker worden wakker worden’.
‘Tijd voor uw medicijnen’.

En dan weet ik het weer.

Die nieuwe zegt wel bijzonder weinig.
Hij zal toch wel kunnen praten.
Hé, probeer ik, hé.
Geen reactie.
Meewarig ligt hij me aan te kijken.
Doofstom, vast doofstom.
Ik hoop dat ie gauw met z’n vrouw mee naar huis mag.
Dit is toch geen leven zo.

Liever, ze worden liever en liever.
Mijn vrouwen.
Wel praten ze almaar harder.
Mijn buurman is doof hoor.
Mompel ik dan.
Maar ze schijnen het niet te verstaan.
Wat zegt u, gillen ze bijna.
Alsof ze het tegen de buurman moeten hebben.

Slaap, verdorie wat een slaap.
Concentreren, wakker blijven.

Zei die buurman nu maar eens wat.
Of mijn vader, tegen mijn moeder.

Die stilte hier.

Door een plastic slangetje stroomt het.
Net een navelstreng.

Toe pap, zeg nu eens wat tegen haar.
Het liefst iets liefs.

Die bloemen.

Slaap, slaap.
Steeds vaker.

Zomaar iets heel liefs.

Een vers zakje diner.
Zachte handen voor een glimlach.
Witlof met ham? Biefstuk? Een soepje vooraf?
De lieverds.

Mag ik nu bij het raam?

De doofstomme!

Mag ik nu bij het raam.
Dat vroeg ie.
Toen ik al een flink eind op weg was.
Naar die andere kamer.

Andere kamer?

Lekker alleen.
Dat zei ze, het witbruidje.

Kunt u rustig slapen, ook dat zei ze.

Weer die zachte handen.
In de buurt van de berg.
Even legen.
Woorden vol glimlach.

Ook al wit.
Deze andere kamer.

Zou het daar ook wit zijn?

Een doorgeefluik.
Van het ene zakje naar het andere.
Functioneel.
Een tussenblaasje met huid zonder haar.

En is er wel zoveel plaats?
Misschien zijn de zieltjes dun.
Zo flinter dat ze geen plaats nemen.
Tot in de eeuwigheid kan het dan doorgaan.
Dat opnemen.

Slapen?

Maar ik wil helemaal niet…

Weg was ze alweer.

En waarom de gordijnen dicht?

Slapen.
Ik moet natuurlijk slapen.
En dan morgen weer die zachte handen.
Slapen slapen.
Naar handen.
Naar slapende handen zo… Zo zacht.