20/20 vision

 

Dit was het jaar van de onwaarheid:

een draad-gehaarde Engel appt

1.726.392 zielen dat ze bestaan

 

en dat hun dochters, zonen, kleinkinderen, mama’s, papa’s, opa’s, oma’s, nichten, neven, vrienden, vriendinnen, collega’s, school-, buurt- en bedgenoten

zich in hun passeren hebben vergist.

 

Geen bed was leeg.

Geen hand tastte aarzelend naar afwezigheid.

Geen app bleef onbeantwoord.

 

Dit was het jaar van de onwaarheid:

Blackwater wast witter.

Novichok is een fashion brand.

 

en onze dochters, zonen, kleinkinderen, mama’s, papa’s, opa’s, oma’s, nichten, neven, vrienden, vriendinnen, collega’s, school-, buurt- en bedgenoten

hebben het niet gewusst,

 

omdat wij het ook niet wisten.

 

Laat geen bed leeg blijven,

geen hand tasten.

App 1.726.392 maal stilte.

het schoolplein en de dood

onder de in, spin,
lasso’s van de meisjes door
gaan wij jongens de bocht in.


ontteugeld raken kwikzilveren paarden
aan ochtendlicht dat spat
van sporen die moeder ombond.


tussen de rode schommels gaat het
slippend over velden
voor boter, kaas en eieren


al uit, spuit, de bocht weer uit.
otjes en xjes scheren zich
langs zandbak en lunchbank.


om gespannen halzen
wapperen roodgloeiend
haast manen.


het is Dennis met de Wilde Krullen maar
vingers spannen gewichtig samen
om paarsklapperend pistool.


als alles stopt en slechts het schot
nog navalt in de bel
is hij even dood als hij later zou gaan.

Zon, God, stuiver, hart

(Voor Wiebe, boer met hart)

 

Voor niks gaat de zon op. Aldus god de vader.

 

Maar voor een meer gerenommeerde God

is de zon slechts een peertje

aan het uitdijend plafond.

 

Heeft God goed geslapen? Hij laat de zon op

in de ogen van een meisje.

Laten we haar Marjan noemen. Eva. Eleni.

 

Is God minder goed gemutst,

dan gaat ze schielijk onder: een stuiver

aan de horizon van een spaarpot.

 

Soms droeg je vroeg gedoofde zonneogen op handen.

Dan was de zon zwaar. Soms droeg het land haar.

Dan was ze licht, waarin duizend aren knipperden.

 

Voor niks gaat de zon onder. Op het laatst, misschien

in een hart dat bij elkaar hangt van schroefjes

en moertjes. Het loopt op het veertje van een oude klok.

 

Tik tok.

Tik tok.

Alles doet het nog.

bladluis

 

drie dagen niet aan dood gedacht niet
aan bloed niet ieder blaadje om en om
gekeerd tegen het licht en niets gevonden


geen bobbel in de lies geen wildgroei in
of achter oor geen jeuk aan aars geen ring
om vosje walvis grote beer op rug

 

niks gemerkt met slikken ook geen brok

in pis geen boze wolk door longen geen
pijn voel ik geen pijn vanochtend

 

overmoedig op één been je kamerlinde
roerloos voor het raam zien staan
omgevallen toen en ook gaan huilen
 

96

 

en je opent dezelfde deur / en ik zou je niet aan je mond hebben herkend

en ik zou je niet aan je kont hebben herkend / en je hebt echt

 

oneindig veel oneindig beeldige kinderen / en je kinderen doen gaga

na / en ik weet niet wat gaga is / en ik moet bugaaboe even opzij schuiven

 

en ik weet niet wie bugaaboe is / en ik struikel over beeldige kinderen

en ik struikel over een kinderwagen / en ik volg een kont die ik niet herken

 

en ik herinner me de warmte van een kont / en hoe die warme kont

twee handen vulde / en ik herinner me hoe warm verlangen plots kon kloppen

 

en ik richt de champagne als een warmkloppend pistool / en ik zeg

pang! / en je buigt een vinger die ik niet herken / en al je kinderen zeggen pang!

 

en ik volg een kont die ik niet herken / en ik ben in een kamer die ik niet herken

en er valt een stilte die ik niet herken / en sommige kinderen doen gaga na

 

en andere kinderen huilen / en ik zeg dat je beeldige kinderen hebt / en je vraagt

of ik kids heb / en ik zeg nee / en je hoort het niet omdat de kinderen huilen

 

en de kurk zegt pang! / en we drinken champagne op een bank die ik niet herken

en de meeste kinderen doen gaga na / en ze zijn beeldig / en ze huilen niet

 

eens zo vaak / en ze missen hun vader maar een beetje / en het is lang geleden

dat je champagne dronk / en je drinkt eigenlijk helemaal niet meer

 

en je danst niet als een slaapdronken vlinder / en je weet ook niet precies

wat ik daar eigenlijk mee bedoel / en je vraagt of ik kids heb / en ik zeg nee

 

en ik volg een kont die ik niet herken / en je opent dezelfde deur / en ik zeg dag

en jij zegt dag / en sommige kinderen huilen / en we herinneren ons niet

golfjes tellen

(voor A. 1969-2014 – ride in peace)

 

de eerste golf is een onbeduidend stipje

aan de horizon van je oneindige bestaan.

je berijdt ‘m met achteloze souplesse;

handjes in de lucht, beste beentje voor,

blik op open raam.

 

de tweede golf ontneemt je de adem

als een kitelijn om je hals. dromend

vul je kleine voetstappen met zand.

wakend hoest je weke kokkels op.

 

de derde voert verstekelingen aan

die door je bloedbaan razen. ze zetten

in je lichaam tenten op. je voedt ze

wat je hebt. ze willen meer,

ze willen woekeren.

 

de vierde golf geeuwt onder water

als een haai. je spartelt en komt boven,

spartelt en komt boven; visgraatvingers

op laagstaand laken.

 

de vijfde golf is een berg. als je de top redt

mag je weer naar bed.

 

zes: je schuimbekt als de branding.

 

de zevende golf is zee.

ze houdt haar adem in,

je doet nog zeven tellen mee.

uitzicht op uitzicht

 

wat op het land begint eindigt meestal

in de stad. het trage meisje met de koeien

ogen is achter elk derde raam te vinden

 

in Hellevoetsluis of Zoetermeer. het waar

doet er niet toe. ze wordt niet gezocht

door de buren. ze veroorzaakt niets.

 

uitzicht is een beest met twaalf open ogen

per verdieping aan de overkant. lakens,

ondergoed en sokken huilt het. ze telt

 

de ramen op haar vingers af. wat waar is

is dat iedere avond vordert. bij elf is het tien

uur. als ze stil is hoort ze leven in de biobak.

14.543

 

ik ruik indrogend angstzweet,

de tabaksvingers van vader.

 

ik proef wat ik opboer beter

dan de dode dieren die ik eet.

 

ik voel de bank waarop ik zit

alleen maar als ik ‘bank’ schrijf.

 

ik zie veertig blije koreanen

huppelend tweeten in full hd.

 

ik hoor hoe water weerloos licht

breekt in de vijver bij het huis.

 

ik ben 14.543 days old en poep

haast elke dag. ik los mezelf op

in de onwerkelijkheid der dingen.

man op een kruk

u zit op een kruk bij een arts
en het besef draait zich plots
even nadrukkelijk in u om

als uw vrouw zich naar u toe draait.

 

u zult waarschijnlijk langgerekt
gaan tegenwerpen, zo van jaaaa,

want dat is nu eenmaal wat u doet.

 

uw vrouw heeft iets.
had u dat al gemerkt?

u weet het niet.

 

maakt u zich niet ongerust.
u krijgt vanaf nu de tijd
om daarover na te denken.

Vogelbekman


Hij heeft de mond van vogels vol.
De wereld zal het weten.

Op pleinen die zich in verten terugtrekken
overstemt hij afwezigheid - verkondigt vogelliefde, leed en dood
in bladerloze bomen. Latijnse namen uit het hoofd geleerd
met het vogelboek op schoot.

Hij weet: vogel is zilver, maar toch
loopt zijn mond er van over; de val van de adelaar,
het kolig kwetteren van kanaries, het zwijgen
van de poetiewiet.

[Wie maaltijd na maaltijd hollebotjes ophoest
mag nooit meer over scherpe kruiden klagen,
zegt ze, terwijl ze op haar woorden doelt.

Hij zoekt ondertussen naar het volmaakte ei,
het ei dat alles overbodig maakt, niet in de zak breekt,
maar in de mond smelt – oneindig beloftevol.

Zij vindt dat hij niet veel te vinden heeft.
Ei, ei. Driewerf ei.]

Een duif die niet door hem is aangereden
ligt in een houten kistje op de tafel bij het raam.
Zoals dat hoort volgt na uren sterven
toch nog onverwacht.

De keukenlamp knippert als een vleugel.
Eenmaal. En twee.
Deus ibi est.  




 

de kruimels blijven over

 

liefde is niet als een rivier
die wild en vrij door land gaat
dat je al zo lang zo grondig kent.


niet de wind die deze woorden

van mijn lippen raapt en wegblaast
als vroege mist van gras.


nee, liefde is zwart en taai
als teer op longen
en wordt evenmin vergeven.

 

ik volg je naar ons huis
alsof woorden kruimels zijn
die van je lippen vallen

 

en liefde weer als brood is:
te warm nog om te snijden
maar al met korst over de wonden.
 

instructies

 

meet je passen af, ga terug, pas op, dit dient nauwkeurig,

spring achterwaarts het raam door, vertraag

gedachten tot woorden letters zijn, zie de letters, zie scherven,

 

denk sneeuw, zeg ‘dit is de sneeuw’, proef, rek het uit, je hebt

tijd, laat desnoods de letters vallen, ze zijn zwaar, ze zijn

zwanger van je naam, hoor maar, iemand roept, een meisje,

 

een jongen vult je naam hier in want niets is vergeten, niet

je lach, gedempt achter een shawl, niet het kriebelen van wol,

niet de hand in de jouwe, in een want of zonder, niet hoe jij

 

haar zag of hem, niet hoe je rook die ochtend of later, niet

hoe het blauw, het wit, het blauw boven het wit, zo zacht

onder je rug, zo rustig je lichaam, zo stil, sta op, adem, besta.

bij twijfel zachtjes schudden

​(Voor Henk van Zuiden, dichter met ei)

 

eerste scenario: je valt in je slaap

de sterren tegemoet – sommige knipogen

op het ritme van je hart, andere vertragen

 

je val (tweede scenario) varieert. soms sta je

op met natte wangen, soms blijf je liggen.

dan schudden we je zachtjes

als een ei bij twijfel.

 

in het derde scenario verdwaal je tussen

je laatste gedicht en het kussen. je hoofd

eivol, je wangen nat van de zijne.

 

laatste scenario: geel gezicht op wit, je valt

als een ei, maar breekt niet. als je opstaat

vraag je waar je bent. het zuiden van

de vogels tegemoet, zegt hij.

belofte

 

zo zal het beginnen: je kookt niet.

zo zal het verder gaan: ik eet niet.

 

de boom zal voor het raam staan.

de schaduw van de boom zal vallen.

we zullen aan tafel zitten.

de schaduw tussen ons in.

 

we zullen deuropeningen vullen

met lichamen, handgebaren, deuren.

dit is hoe het verder gaat.

 

we zullen handen schudden.

we zullen vreemden worden.

we zullen zeggen dat we zijn verlaten.

we zullen anderen verlaten,

keer op keer op keer op keer.

 

we zullen niet omkijken, onder geen beding

zullen we omkijken.

 

kijk niet om.

 

soms zal de telefoon gaan.

soms horen we onze stilte terug.

soms zullen we zeggen dat er niemand aan de lijn is.

dan zullen we over onze schouder kijken, ons schuldig voelen.

 

voel je niet schuldig.

 

we zullen sterven. niet snel

en niet langzaam zullen we sterven.

we zullen er niet klaar voor zijn

en toch zullen we sterven.

 

ik beloof het.

begin de dag met drop

 

aan het begin van de dag staan dropjes op tafel.

kijk maar, er staan dropjes op tafel. het is het begin

van de dag. je herkent het begin van de dag direct

aan de dropjes op tafel, de dropjes aan het begin

van de dag. zo breng je structuur aan in je leven.

 

licht kleeft aan de dropjes op tafel. het licht kleeft

als vliegen aan de dropjes. de dropjes staan op tafel

want het is het begin van de dag. je ziet hoe vliegen

aan dropjes willen kleven. je ademt beheerst door:

als je naar het licht slaat vliegt de dag voorbij.

 

het is het begin van de dag en de tafel is bedekt

met vliegen. aan het begin van de dag is de tafel

met vliegen gedekt. je bestrijdt opkomende paniek

door een handvol licht te eten, op nietige schaduwen

te kauwen. als drop naar vlieg smaakt is het goed.

het lange vergeten

 

en nu dan het besef

dat er nog maar weinig komt

dat langer blijft dan dit vergeten.

 

met mijn handen keurig

onder het laken gevouwen

in wat pas je vorm nog was

 

besluit ik mij te blijven

verzetten tegen het verlies

van alles wat er niet toe doet

 

zoals de plotselinge geur

van jonge hondjes

op het kussen tussen ons in

 

of hoe je op de mosselgladde pier

fluisterde de wind te zullen volgen

en hoe je ging; schuimbekkend

 

je twee belachelijk zachte

vuisten naar me opgeheven:

ik ben dit niet, ik ben dit niet!

hengstencalculator

 

liggend in het stro

denkt het paard aan neuken

in de wei met het houten hek – het knappen

van klaver tussen appelbomen

 

hoefhoog gras, een mondvol veldbloemen

en zouden er schapen hebben gestaan,

ze stonden hier.

 

hoe het was om geil te zijn,

het aanzwellende gonzen van bloed het licht

in golfjes over zijn flanken:

 

toontredende stapcorrectheid,

gemiddelde schouderligging, strak

verloop van lendenen, roze kut

handen op zijn kont.

 

afdampen, mooie mist onthouden

voor later, voor als hij in het stro wil liggen.

lichter

 

pas op, wijk terug. besef: er is geen weggaan
denkbaar dat weer naar hier zal leiden. verstop je
liefde, een wond tussen gewonden op een zaal.
en weet: ook voor hen was het zwaar, de tred


door water lichter dan over land. zij hebben alles
al verloren. er is hoop dat jij het vindt. er is hoop
maar lichter dan de dood zal het niet worden. ik bedoel.
ik duid. ik doel. op dit: eenentwintig gram, drie

 

mieren in processie. één speelt de bouzouki, één
jongleert met eendagskuikens en één draagt een kroon,
mijn ziel, lichter dan wondvocht op een kinderknie,
oh vader, zoveel lichter ben ik nu.

götterdämmerung

1

maar als je dan nog zo onherroepelijk moet zijn,

wees dan zoals haast niemand is,

als god

 

maar niet die, niet de patriarch, de grijze

hoeder van het grauwe, niet de leugenaar

die scherp en warm als distels schuilt in gras

 

nee, wees de wrekende, die waarheid brengt

en in de wind woont, de slissende,

de lispelaar die van jezelf vertelt

 

wees weer het vreemd grommend wezen

dat dreigend langs de wanden

van mijn kinderkamer schuurt

 

of de schaduw die je hand maakt

als huid gespannen oplicht

in het groen van een nachtlampje

 

maar wees niet dit, niet dit dier

dat ieder aarzelend woord van troost

van mijn uitgestoken handen likt

 

2

vandaag waart over het schoolplein een besef

dat bleek en dik als wasem onder een kap is

en zwelt als voeten aan het einde van een dag

 

in juli, als knikkertijd voorbij is en zomerzand

nauwlettend uit ogen wordt gewreven

met blauwlauwe washandjes

 

waar jongens molenwieken over het plein

met armen die als tandwielen

tot bloedens toe in elkaar grijpen

 

heeft een kind soms simpelweg

de verkeerde ouders en is de wereld

niet veel groter dan deze zandbak

 

3

oma schept

eieren uit de pan

met een hardhouten lepel

 

oma weet

dat je kanker krijgt

van zout op eieren

 

eieren smaken

nergens naar

deze eieren

 

er is de vage belofte

van een dag vol elfen

op de elfteling

 

4

van onder de gelambriseerde deur

komt rook van onder de gelambriseerde

deur komt rook de douche staat aan de mei

de meisjesdouche staan aan

 

als we bukken kunnen we misschien

voeten zien als we diep bukken kunnen we misschien

haar voeten zien als we heel diep bukken

kunnen we haar voeten zien we tellen tot negen

 

tenen aan de ene

 

5

vandaag waart over het schoolplein een gerucht

sissend als de sampan

en scherp als het zakmes wanneer je onder ede zwijgt

 

nemokeg si eipeoj eipeoj

nemokeg si eipeoj eipeoj

 

gaat van mond tot mond

maar niets wordt bevestigd

en niets wordt zomaar toegegeven

 

6

wie heeft het soldaatje wie

heeft het plastic soldaatje gestolen?

 

raadseltje: wat is zo klein dat het moeiteloos

in je knikkervrije broekzak past?

 

de oppergeneraal.

 

(leg het neer

leg het naast de stoeprand neer

 

vind het) krijg een snoepje

wegens goed gedrag

 

7

vandaag waart over het schoolplein

het lied van de lispelaar, het lied

van oorzaak en gevolg, dit lied

dat van schuld en boete zingt

 

nemokeg si eipeoj eipeoj

 

haar kleine ziel

besterft in drie dagen,

hangt zichtbaar als een trofee

 

te drogen aan een riem

die ons omspant

zoals alleen

 

een meisjeshand

tot bloedens toe

het hart omspannen kan

 

8

niemand gaat langs af

 

9

het was vreemd

hoe dingen plots niet meer alleen

met elkaar te maken hadden

 

hoe alles wat altijd

zo nauw met elkaar verbonden was

zo snel zo ongedaan gemaakt kon worden

 

alsof alle letters op het bord

die haast moeiteloos eerst

tot woorden werden

 

in opstand kwamen en eenmaal los

gelaten als vliegen aan dunne koorden

om onze hoofden draaiden

 

10

ook sterke verhalen vlogen zo

rond als superhelden haast

 

ze waren al snel niet meer

bij ons weg te slaan

 

en toch wist niemand toen

of er ooit zoiets gebeurd was

 

we wisten alleen dat zonlicht

toch niet als water warm

en om je heen was

 

maar dat er vreemde stralen waren

waar je soms door werd geraakt

en dat dit raken dan het toeval was

 

11

robert droeg een nieuw blauw jasje

robert droeg een groot geheim (wees zuinig

op je jasje robert) deed soms nog

een plasje

 

wanneer dat niet de bedoeling was

 

en dus hield iemand zijn jasje

op drie hoog van een steiger

in de lucht

 

van de andere kant van de straat

leek het net een vlieger blauw

op blauw nee werkelijk

 

met je ogen half

dicht tegen het priemende licht

was er niet veel meer te zien.

 

dat is ook wat iedereen later zei.

 

en dat het stom was

van het ziekenhuis, dat zeiden we ook

 

niemand zei dat hij zijn jasje even

boven de grond haast

nog had ingehaald.

 

dit moet ook nog gezegd:

superman had vrij die dag.

 

12

daarna vielen ze in bosjes

zegen neer tijdens het voetballen stegen

op tijdens het zingen

 

van een lied met veel amen

en armen rond en rond in hava

nagila hava sneller

 

en sneller rond het snijdende touw

totdat het bloed langs haar dunne

meisjes polsen stroomt

 

tot helemaal over haar benen

op de grond

 

13

deze waarheden werden verdronken

als jonge katjes. je bond zo’n zak dicht

alsof het vuilnis was

 

met de warmte van de grote kat

nog op je schoot

 

en niemand vond dat daar

iets vreemds aan was, aan zo’n grote kat hier

en aan die kleintjes

 

ook Jezus niet

terwijl die toch altijd

langs het water liep

 

14

aan de rand van het schoolplein staat

een jongetje al

weer te vertellen over zijn onderzeeër

 

die in de Barentz ligt daar

waar een koude oorlog woedt

en pas als iedereen

 

aan zijn blauwe lippen hangt

houdt hij een hand voor zijn mond

en wijst naar een vlieger in de verte.

 

15

ademt dan,

zooooooooooo

een mondvol vliegen uit.

 

16: dit zijn de dagen, mijn vriend

dit zijn de dagen

dat de raderen van de wereld

dieper in de wonden grijpen

 

dat de dageraad

door verlichte vreemden

op een draagbaar

naar binnen wordt gereden

 

dat alles

in de engte lengt

als tussen dubbel glas

het geluid van een sirene

 

dit zijn de dagen dat je huivert

als een vliegtuig overgaat

zoals soms een ziekte doet

 

dat mars daalt

als een rood en boos gezicht

vol lijkvlekken

 

17: kinderliedje

van voor naar achter gaat de auto

schuurt hitsig haast

tegen de wanden op

 

ik zandstraal gedachten

met mijn gezicht tegen de wind

en mijn mond zooooo

 

mars daalt neer de lucht is rood de wereld

ruikt alsof hij net is ontsmet

we gaan

 

van links naar rechts

mijn broer en ik

op de achterbank

 

het is lastig zingen

met dichtgeknepen keel

maar toe doe alsof

 

je niet weet waar je bent

toe doe alsof we (zijn er

bijna) thuis zijn

 

18: de groene simca

drie mannen in heel donker

blauw hebben hem

gevonden en naar huis gebracht

 

hij lag in zijn auto

te slapen: een Simca

in bijzonder lullig groen

 

19: belle Hélène
 

en alweer op de achterbank

op weg naar een land zit Hélène

de vlakke uren naast mij

 

het landschap komt en gaat

met af en toe een schaap

en later ook wat heuvels

 

ik houd haar hand vast

tot zij net voorbij de grens

in Nederland verdwijnt

 

ik zal haar evenmin een ansicht sturen

als zij hier was

 

wel draai ik twee weken

(a) dat nummer

(b) één bruine haar steeds om mijn vingers

 

20: intermezzo; transmitting live from Mars

komt tot mij, allen die eenzaam zijn

verdwaald vermalen

tussen de raderen

 

van een wereld

die te diep in de wonden grijpt

en leg uw botten hier te ruste

 

laat ze bleken gloeien

branden desnoods dan

als een ster

 

21: baby, I’m a star

ik word een ster

en ik zal zeker veel

te veel willen drinken baby

 

you can drive my car

 

dan doe ik mijn ogen dicht

en droom haar even stiekem naast me

als mijn vader achter het stuur

 

22: de droom

hij komt aan

gereden in die auto

parkeert netjes en stapt uit,

 

vloekt dan niet

ongewoon herhaaldelijk

op de groene stoel met franjes

 

ik vertel hem dat hij dood is

hij heeft geen zin in dat gezeur

en trekt een biertje open

 

even hardnekkig

als de vlekken op zijn gezicht

staat soms zijn auto buiten

 

23: mars daalt

vandaag zie ik

de vlekken in zijn gezicht

gaten in de lucht branden

 

rood kleeft aan wanden

dichtgeknepen kelen zingen

alles ruikt alsof het net is ontsmet

 

de wereld vouwt ons op

slikt ons in en ergens

implodeert een lever als een ster

 

maar toe doe toe doe

t het er allemaal

nu wel zo toe ?

 

24: weer onderweg

ik mis dezelfde

muur vandaag al

weer op enkele centimeters

 

0: intermezzo

I saw myself

 

a ring of bone

in the clear stream

of all of it

 

and vowed

always to be open to it

that all of it

might flow through

 

and then heard

“ring of bone” where

ring is what a

 

bell does

 

© Lew Welch)

 

25: kringspel

ik adem

mezelf weer uit en blaas

een roze ring van meisjes om mij heen

 

penny, ik laat je naam in mij

vallen als de zon in water

en duik je steeds weer op

 

iemand roept je naar het midden

en al wat draaien kan – het draait

 

ik beloof mezelf plechtig

om je met bleke huid en haar

in te blijven ademen

 

26: kermis

zoals een tong eerst schichtig dan

sneller steeds en almaar sneller draait

berijden wij wijdbeens draken

 

want het is kermis op het plein

en alles is nog mogelijk

 

kijk, daar branden lichtjes

witte gaten in de lucht

de geur van suikerspinnenlippen

 

als askegels gloeien wij als sterren bottenbleek

op excursie naar het einde van de nacht

 

nat gras, natte ruggen

je onbehoorlijk smalle schouders

je open mond: zo groot de maan!

 

27: onder de seringenboom

later onder de seringenboom ben ik

in de schaduw die een hand maakt

op je warme wang

 

draai als de rook van een eerste sigaret

in mijn buik, laat mijn vinger door iedere cirkel

prikken waarvan jij het midden bent

 

onder het badpak over je moedervlekken:

sterren branden donker op jouw huid, zeg je

 

maar ik voel alleen maar jou

maar ik proef alleen maar jou

zomerzout en nieuw en jong zo penny

 

28: de bus terug

blazen maar weer: kringen op het raam

namen doorhalen onder harten

van de heenreis

 

penny loves x loves y 4 ever

4 ever weerkaatst je

bitterzoete adem van die ochtend

 

grotere jongens weten het: jou pesten is makkelijk

vandaag legt iemand pennies op je ogen

als je slaapt

 

zwaai ik naar mezelf

in het raam van een bus op weg naar huis

zie ik de dood, een verstekeling

 

die onderadems reist van mond op mond

van zweterige hand tot hand

als voetbalplaatjes in de pauze

 

ik droom een cowboy: brede hoed, jas,

het striemen van een speekselzweep

één uiteinde bungelt aan je mond

 

29: penny slaapt

grotere jongens wisten het: jou pesten was makkelijk

vandaag legt iemand pennies op je ogen

als je slaapt

 

dooft de zon op iedere tekening

die vloeidunne bleekhuid!

zelfs sterrenlicht brandt gaten

 

ik draai mezelf binnenstebuiten

wil je mijn moedervlekken wel geven

 

het zijn er twee

ze passen over je ogen

en gloeien in de eindeloze nacht

 

30: ennio

de donsgele slaap in je ogen

gaf je me

en al het licht van de maan

 

ik hang haar

aan een touw boven je huis

en zeg: de maan is nu gehangen

 

ik fluit veel – morricone

en ben een zomervakantie lang

indrukwekkend somber

 

31: where ring is what a bell does

vandaag gevonden:

je seringenroze kauwgumring

past niet meer om mijn vinger

 

je geur, je smaak, je speeksel

wat licht was bleek niet taai genoeg

om langer mee te gaan en ging

 

ik schrijf dit omdat ik aan je dacht

toen ik een gedicht las

en plots je ring zo hoorde

drie meisjes bij de slam

 

en jawel hoor, ze staan er weer

met teruggetrokken tanden al

dan niet de dertig te passeren.

 

drie meisjes bij de slam

in schotsgeruite pofrokjes

bespreken jongeherenleed.

 

even lekker kletsen zo

op een warme oktoberavond

met glutenvrije strandtas om.

 

maar heer heb medelij!

zij zullen vroeger vast hebben geslist

en was er niets iets met hun vaders?

 

zeep dus eerst hun borstjes in

en houd ze dan voorzichtig maar beslist

drie minuten onder handwarm water.

tik tok

tijd is niet het zachte tikken van een klok
maar het lange wachten tussen tik en tok.

het is een waarheid.

als we de kleine dingen niet zouden vergeten
zou niets de moeite waard zijn om te herinneren.

het is een wijsheid.

de klok tik tokt.

een straal zonlicht beschrijft, precies op dit moment
een clichématige baan in clichématiger zin
en raakt niet eens licht aan het oppervlak

van wat bestaan genoemd wordt.

en de klok? zij tikt en tokt

​​

die dag sterft een vrouw in een vuur
terwijl zij verlegen haast
haar huid tot kleding vouwt.

het was wel ver weg.

een bedrijf introduceert een nieuwer product.

tik tok.

onopgemerkt loopt een jongen naar de rand van een schoolplein
en voelt het glad van een knikker
in een broekzak vol zomerzand.

het is me wat.

of neem de plotselinge inval van het donker
door zo'n rond raampje in een deur
of het lange wachten binnen,
het ellendig lange wachten daarbinnen.
 

tijd is niet het zachte tikken
van een klok. tijd

 

is Tik.

dit is een gedicht voor boven je bank

 

en niet meer dan dat. het is onvoldoende

hermetisch om de rest uit te sluiten

en verliest alle scherpte in bad.

 

wikkel het om je lijf bij gebrek

aan een vrouw. je zult worden bedrogen;

dit gedicht is ontrouw.

 

dit gedicht wordt zwaarder met de jaren

dit gedicht ontwikkelt een klagerige toon.

dit gedicht ziet dezelfde programma’s

als jij en zou daarover liegen.

 

het is uiteindelijk onontkoombaar

dat je jezelf ophangt bij dit gedicht.

het is voor jou geschreven;

de woorden geven donker in het licht.

prinsesje in tegenlicht

 

kijk, mijn handen maken

prachtige schaduwen

op de muur van dit papier

is alles nog mogelijk.

 

een konijn of liever een prinsesje

met haar rokje kuis

tot net over haar knie gevouwen?

u zegt het maar

 

ik zie haar persoonlijk liefst

met levensbedreigend blond haar

tussen mijn vingers naar beneden glijden

als uit een toren.

 

of in dat zwarte badpak van toen

ik haar onder water langzaam

in tegenlicht tegemoet zwom;

een onverzadigd vette vis.

the fine art of dissecting small animals

 

1. beestje

 

het korte bestaan achter glas

komt nu ten einde. zachte druk,

harde ruk, harde ruk, harde ruk.

 

rondjes. wachten. brand.

 

2. moeder

 

hoe hij daar zit: rood

aangelopen gaat hij helemaal

in zijn eigen wereldje op.

 

vind je niet, Colette?

 

die opperste concentratie. die beentjes.

schattig broekje is dat toch.

 

3. zoontje

 

het vinden, het pakken. vingers

al bijna te vadsig. toch beet,

een poot, een poot, een poot.

 

mikken. wachten. rook.

 

4. mee op reis

 

hoog

we gaan om-

 

dit schamele spoor te volgen

door trillende lucht boven huizen

waar iedere voor- de achtertuin

 

van de buren is, waar sprinklers

sprinkelen en kinderen in nat gras

onder kleine regenbogen wachten.

 

oh colette, vanaf hier lijken de wasmolens

wel roulettewielen. swing it, baby.

 

5. les jeux sont faits

 

we kunnen het uittekenen op dit groene laken,

de grenzen van Wateringseveld, van zijn bestaan,

het hare.

 

hier, onder de rook van barbecues, van dingen

die verbranden, kanker krijgen en sterven heerst

de onneembare wipkip over dag en nacht.

 

het vlees is rood, Colette. afblussen

met after sun.

 

in bed gloeit hij als een ster na.

 

6. child in time

 

volg hem door zijn wijk, volg hem

langs huizen waar kinderen wonen,

wachten, wijzen, volg tot glas

 

rinkelt in zijn tas, zie hoe hij een poot,

een tweede, nog een keer

voor de ander

 

en vergroot hem

tot zijn geur het universum vult.

streven

 

de verlichten ontstijgen alles,

zijn hun eigen trap naar de hemel.

 

sommigen overstijgen zichzelf

in openbare kastijdingzucht.

 

anderen schenken een papieren vloot

van inkt en stront en tranen

of laten rijk gevulde tissues

als offer uit een penthouse waaien.

 

ik wil een eigen gelijk.

ik wil een rimpelloos gezicht.

 

ik wil mijn ogen kunnen neerslaan,

verblind zijn door mijn eigen licht.

non, non, rien n'a changé

 

je denkt dat het ophoudt,

maar als je ouder bent sta je weer

in een hoek met je handen voor je kruis

 

naar pis te stinken. er bestaat zoiets

als publieke eenzaamheid; daar past

geen gordijn omheen.

 

haar vriend komt vannacht

thuis van een eiland. ze zal hem teder

pijpen. eerst moet jij nog schoon.

 

je probeert haar voor je te winnen

met een glimlach en een praatje.

je plasje voldoet.

hotel halfweg

 

je complimenteert het baliemeisje

opzichtig met de fraai gemanicuurde

coniferen. je glimlach straalt

anciënniteit uit. ze aanvaardt.

 

de keycard gaat in de portefeuille

die echtgenote in haar tas bewaard.

jaren terug verloor je een sleutel.

ze heeft het incident onthouden.

 

in de badkamer verzet je trouw

wat vrouw zojuist heeft rechtgezet.

het gaat in dit bestaan om millimeters.

je eist ze op. je duurt.

 

's nachts klopt de dood: een ader,

een wiskundige vergelijking, een lid,

een kind aan de deur. je grijnst het

in het donker tegemoet.

(het geheim)

/

 

we ontdekken dat tussen jou       (een geheim)       en mij groeit.

dit kan (geen groot geheim) zijn, beslissen we. we hebben het

niet eerder opgemerkt. Het landschap is vlak, het uitzicht

onveranderd onbelemmerd: geen heuvel te zien.

 

de eerste dag proberen we (  h e t   g e h e i m  ) te isoleren,

te benoemen, te grijpen. het laat zich niet betrappen, het weigert

in de hoek te staan, ezelsoren op te zetten.

 

//

 

onder het plafond accumuleert het cumulus, grijnst

schaapachtig, reflecteert, geeft

haar vorm niet prijs.

 

jij duidt de geschatte omvang met je handen aan,

vormt een kop van elastiekjes. ik maak een schotel.

samen vangen we wat regen op.

 

///

 

misschien zit {{het geheim}} van binnen, om met ons

op te vullen; met God, een stilte.

 

jij spreidt labia majora, minora, mi

amore, lik, adem, zwijg in me.

 

////

 

in het midden van de kamer richt (het Geheim) een altaar op.

wij slaan kruizen, schetsen pentagrammen, smeken het

geven het namen, paaien het met zoenoffers, omarmen, omcirkelen,

belegeren [het geheim] houdt stand.

 

op een laag vuur karameliseren vermoedens. we breken

er onze tanden op, knarsen op de brokken, slaan ernaar

met dagboeken vol ezelsoren.

 

en overal om ons heen vormt het, breidt het zich uit,

vult als tandbederf de ruimte op die we het laten,

wordt (HET GEHEIM) is (HET GEHEIM) blijft onder ons.

lama ist tot


klep dicht en gewoon doorademen, ouwe homo
sapiens, ludens, erectus. zoveel zaad verspild; loos
als in duinen: een wattig bestaan; katers in de namiddag.

kunnen we met de buik vooruit het leed doorklieven?
waar buik was blijft leegte achter. de eenzaamheid
van de buikboksfinale; laatste ronde – bit in en gaan.

wat weegt zijn de mensen. het onverzettelijke gewicht
van een vader, een moeder, een zus – de wijze waarop
papier zich tot een vuist balt, machteloos als dorst

is man, deze man, alleen, of twee mannen, plotseling
verdubbeld. zo dragen we ons verlies – als twee mannen
rechten we de rug. nog één keer, en dan opnieuw.

een week met de heer

 

zaterdag

ze was weer in de heer gaan geloven. het gebeurde

die middag rond drieën. ze had gehakt gekneed en

haar handen gewassen. de heer speelde solitaire

met de kaarten van hun moezelcruise. hallo, zei ze.

de heer keek niet op: het regende niet eens.

 

zondag

die dag kwam er geen bezoek. de vrouw en de heer

stelden een programma samen. de heer begon. daarna was

de vrouw aan de beurt om op de klok te kijken. soms

sukkelden ze even weg. dan keek de klok naar hen

en werd het sneller later.

 

maandag

de afstandbediening lag kaarsrecht naast de troskompas.

 

dinsdag

dwaalden ze door gangen met bruine vloerbedekking.

hier en daar stonden tuinmeubels voor deuren, hingen

ingelijste kleinkinderen, brak de zon door op vastgelijmde

puzzels van 10.000 stukjes of meer. hij borstelde haar

klitten uit onder het meisje van vermeer.

 

woensdag

ze waren in elkaar gaan geloven in haar kamer

met het opklapbed waarop ze halma speelden en later

ganzenbord. zij woonde op twee hoog naast het platje

met de duiven van zijn vader. hij sloop steeds behendig

tussen het geritsel door. hiervan droomden ze, zijn hand

over de hare, een gevlekte vleugel over een duivenei.

 

donderdag

trok de heer zijn goede pak aan terwijl zij sliep, speldde

medailles op, trok mouwen over dunne polsen en zat

op de rand van het bed totdat het lichter werd.

 

vrijdag

zij kookte lof omdat hij dat kon kauwen, streek toen

de lakens nog een keer, niet om het een of ander

maar om iets te doen te hebben. die avond brak de heer

het brood, schonk koffie bij de melk, stopte haar lichaam

in voor de nacht. zij sliepen lang en zacht.

patronen

 

poëzie is het bespeuren van patronen

die er niet zijn, zo stelt mijn vereenzaamde

vriend ten bewijze. het gaat van zacht naar hard

 

[van een kamer vol kaarsen en de gloeigeur

van een vuur met vrienden op het strand naar dertig

watt spaar en tl-licht boven je; alziend en altijd.

 

zeker, aan het eind van deze koleretunnel brandt licht

in de operatiekamer. de fontanel opent zich

zacht en vol genade; de schoot van een vrouw]

 

en terug. zo volgt alles een onafwendbare logica.

 

[mijn tweede vrouw weet alles

van de eerste. er zijn dagen dat ik dit oneerlijk vind.

ik heb er nooit iets van gezegd.]

 

op zijn bureau staan globes, een kauwgombalmachine

waarin hij tanden bewaart van kinderen, de zijne

of die van anderen. er is geen onderscheid denkbaar

dat de machine maken kan. men werpt in.

 

ooit bouwde een vriendin een kast die een kast nadeed.

er paste niets in.

 

ooit bouwde iemand een douche die een douche nadeed.

er paste iets in.

 

[ze leeft nog, mijn vrouw, maar vraag me niet

naar harde bewijzen.]

notitie

 

je denkt aan dode mensen, leest hun brieven,

volgt de letters met je vinger. vreemd en sierlijk;

de kalligrafie van de dood.

 

als meisjes van nu straks sterven

ondertekenen zij hun laatste kaart

met :(-tjes op de i en xxx-jes.

 

zwaai je haar uit alsof ze op vakantie gaat,

op weg is? grap je: ‘we gaan op reis meis,

maar wat nemen we mee?’

 

en vind je later wat zij achterlaat?

kaarten in haar tas, toegestane roodstand,

schaamstreep op matras.

 

‘ze hield van tulpen, schelpenspiegels, de liefde,

en bezoek. ze leed aan ludduvuddu,

leggings en lymfeklierkanker.’

 

het is genoteerd.

kamer met raam

 

je verwacht een ander wit, van stijf geslagen

eieren wellicht; een waardig wit, opgeklopt

door vaardige handen – en die daaronder,

kalm en warm en klaar.

 

buiten vriest het licht, je zit waar het kraakt

en staart naar adem op raam; wonderlijk toch

hoe een kamer zich met wachten vult,

wonderlijk maar waar.

 

steeds als je slaapt, droom je met open mond

van sneeuw. steeds als je waakt, zie je hoe traag

de druppels in haar vallen. je kunt er uren

naar kijken. je kijkt er uren naar.

tableau vivant met twee christenen

 

meneer De Vries een boer
gooit houten kruizen naar de hemel
als plots zijn zoon


nog even blond en zichtbaar dood
gewoon in overall
het pad betreedt.

 

alsof er niets gebeurd is
zegt hij
zijn vader goedendag.

 

loopt dan dezelfde weg
als hij terug
gekomen is weer af.

 

de zon is stil.


mevrouw De Vries een boerin
slaat geraapte kruizen op
in weckflessen voor later.
 

van een man in de nacht voor een raam

 

kijkt door een raam, ziet zwart, een uitgelopen restje

blauw. bedenkt een troebele melkweg of dat een open

gesneden rokerslong niet leeg is, maar met niets is

gevuld, dat wat het iets omvat, het tussen de tanden

 

neemt, door elkaar schudt, opnieuw ordent, terug

brengt tot de kern: cel in een membraan. een man

in een kamer voor een raam drukt zijn vingertoppen

tegen het glas, wil naar buiten, wil buiten woekeren.

 

komt in opstand tegen het niets, vervloekt de belofte

van iets. van lucht, een ziel, een kans, een opening,

een doorgang naar elders of eerder, een wormgat door

de tijd, zoals hij zich zijn vader herinnert, zomaar

 

weet dat het onvermijdelijk wordt om bretels te kopen.

houdt zijn broek op, heeft plotseling met twee handen

iets te doen. blijft vannacht nog, blijft voor het raam.

het laatste herfstgedicht

 

de eerste die nu nog met herfst

takken aan komt draven

en daarmee op dit papier

 

of tegen mijn beeldscherm zwaait

zodat bladeren dit gedicht binnendwarrelen

bijt ik persoonlijk de strot af

 

want ziek ben ik

van woorden die troost willen bieden

voor alles waar geen troost voor kan bestaan

 

te moe vooral

om iedere ochtend bloot en bleek

weer als dezelfde jongen op te staan

 

vergeet me liever even,

begraaf deze woorden in een ondiep graf

en leg jezelf daarnaast ten ruste

 

mag ik bij je liggen? dan spreken we daar af

om pas te ontwaken als ook dit blad

volledig is vergaan

 

want als de dood te bedwingen was

met slechts enkele mooie regels

dan had ik die voor je geschreven

 

ik weet het ook

hier staan ze niet,

vergeef me

een verhaal als alle andere

 

dat hij is geboren uit bloedeloos contact

dat op voorhand al vergeetbaar was,

vergeet hij niet. neemt later zonder mededogen

hetzelve met geweld.

 

raakt op een vrijdag even aan bestaan, schrikt.

haar lichaam is te warm, veert terug, raaskalt.

spuugt tegen de wind in. jongleert jongens

kopjes zichtbaar boven het korte gras.

 

verlaat en wordt verlaten. doet weinig moeite,

meer schade. voedt bloedboeren op

tot zeepbel. verstopt scheermessen

als paaseieren in zijn buurt.

 

eet zelden alleen. zoveel minder nog

met vrienden. draagt wrok als een babylijkje

in een draagzak op zijn rug. zakt zwaar

door rijstpapieren benen. kamt haar tot shag.

 

neem liters tot zich. koestert een anders

vreemde vrouw, slaat haar ook. pompt maar verzuipt,

heeft geen hartstocht. zegt dingen

die hij niet mag zeggen. spreekt niet in

 

maar met tongen, vlecht die tot een mand,

legt daarin zijn leven te vondeling. wacht tot zijn daad

onbegrepen blijft. denkt 'velen voor mij'. zegt 'velen achter'.

is zelden als laatste bij het bankje voor de bus.

 

plast daar warm overheen, dacht ooit

aan dierenarts. at verplicht en veel

orgaanvlees. zakte voor een toets. bracht aardappels

over op een lepel. liep zelden goed zak.

 

aanvaardt een baan, neemt geen ontslag. droomt nog

dagelijks botsauto's in felle kleuren. ziet koude lucht

op 8 millimeter ontsnappen aan een bleek gezicht.

hoort francoise hardy. verdringt zich

 

om sluikgehaarde meisjes. verlangt naar chocola

van moeders lippen. staart wezenloos

maar wel in de verte. woog bij geboorte beduidend

minder dan in haar buik.

 

draait zich om. slaapt met een vuist gebald

als een wapen onder het kussen. duimt soms.

stilleven met pielemoos


gestaag valt je borst in. zo lig je
steeds vaker naast een oude vrouw:
borstvrij, daarover dus geen zorgen.

op sommige dagen dek je haar
loze holtes met een handpalm af,
smokkelt met de bolling en streelt
een herinnering wakker.

maar wat verder slaapt, het slaapt:
pielemoos rust op een bedje van stro
tussen je benen. je dekt hem
teder toe.

dit is wat je droomt: schapen jagen
de wolken op. en dat niemand
weet waarom, ook jij niet.

gedicht voor een vader

1

je zei ik denk niet dat het nog veel wordt

en ik keek op je neer

 

rook schrale rook geronnen bloed rook zwart

bloed in het donker van je hand

 

zag hoe die krachteloos en laf de angst omsloot

en schudde je als een vogel van mijn hoofd

 

maar herinnerde me plots die regen, de grijze

de grauwe regen, de leisteenwarme regen

en zag ons op het dek van een boot staan

in die regen

 

2

 

dun en iel fluit je

ziel door holle botten, zo: hu

hu liet je me soms schrikken

zoals nu je in mijn armen sterft:

 

hu!

 

maar wat me dwars zit: ik weet niet meer

of het regende, of er wind was om het huis

of je verbaasd of angstig keek

 

wel weet ik dat ik je handen zag,

je harde handen, je stille en merkwaardig

bruine handen om mijn arm

 

alsof je pas nog

in de zon gelopen had

 

3

 

ik vond kindertekeningen

in je nachtkastje; de foto op de boot

daartussen een pakje kruimelshag, hoe het duurt

voordat dat vol is

 

toen wist ik: nee, jij liep niet meer

en niemand liep voor jou

 

zo leerde je me spaarzaam zijn

voor als iedereen is weggegaan

 

het schrale vast te koesteren

en ik koester, zie hoe ik koester

ik weet niets


vaak vraagt men mij of ik van dit
of dat iets afweet. ik ontken alles.
en als men het nogmaals vraagt
ontken ik dubbel:

nee, van dit of dat heb ik
geen kennis, niets
weet ik van dit of dat.

modieuze ziektes, zaadontlasting, dood.
drugs, depressies, diepzeeduiken.

men verdenkt mij van kennis van de vreemdste zaken.
men schroomt niet om mij te consulteren.
men vermoedt dat ik thuis ben
om over hen te waken.

maar ik heb spelletjes te doen, confetti
rond te strooien, de vruchten van mijn arbeid
te verbrassen. ik heb na te denken
over de zin van deze zin, de zinloosheid
van deze.

even onder ede

bij zaklamplicht de sporen volgen

van kleine dieren (een rups, een duif

een slang) en samen dronken worden

 

van tegenstrijdige signalen, wijn en rook,

alles wat achteloos van mond tot mond gaat

op zomeravondadem

 

       vouw je handen tot een kom

       en zucht; die geur blijft voorgoed

       verdwijnen

 

nu je verliefd bent

op hoe haar knieën buigen

 

omdat ze per se pissen wil in gras

waar krekels en sprinkhanen neuken

in het vocht dat tussen haar benen raast

 

       ingebrand: billen op kuiten in witte sokken

 

of anders dit: warmte in het donker, zilt

en gewillig

 

       kijk mama, zonder handen!

 

knielend met de resten van een liedje

over love nog in haar mond

ben jij

 

en als zij aanwijst welke kaarsjes

op de hemeltaart je uit moet blazen

opdat deze slaap zwart zal zijn en diep

 

maar licht genoeg om niet in te verdwalen

als je haar stevig vasthoudt, dan

doe je dat, ja, dat doe je

 

we zijn er allemaal geweest, we willen allemaal terug,

slaan vreemde lichamen vrijwillig op

in tenten even onder ede

 

       jij weet, zij weet, wij weten we zijn

       er geweest

 

dat wordt dus levenslang

laveren tussen schuld en onschuld,

tussen deze en gedroomde tijd,

op zoek naar een verwante

emotie op elk grasveld, twee (4,6)

kinderen aan je linkerhand, je derde

vrouw ter rechterzijde

 

       pardon mijnheer maar weet u misschien

       waar de toiletten zijn

 

       die vinden

 

en achter je richt het gras zich alweer op

ah erlebnis

 

monden vol citroenen dragen

vleeskleurige lichamen

dito gepantied de zomer door

 

in de supermarkt

worden roddels bezegeld

met speeksel van beroddelden

 

eenmaal thuis wordt iedere boodschap

al tot ver na de komma ontcijferd

stilzwijgend gedistribueerd

 

hoopvolle blikken voorbij

vinden kinderogen weer

geen lijken in de kast

 

2. oranjebitter

vanachter het raam valt

haar bleke peignoir

al vroeg de avond in

 

een verzachte handdoek hangt

trots van het balkon

de vlag weer uit

 

oranje loopt

in de eerste regen na het fluitsignaal

traag door op de flanken

 

3. god en de buitenwijk

 

vale damesbillen,

de zakken zwaar van air miles

stijgen traag de treden op

 

zelfs als onze voortvluchtige ontmoeting

al om enkele woorden vraagt

zal niemand die uitspreken.

 

boven loert haar leven

verscholen in de barsten

van het te vaak verlaagd plafond

 

een milder god zou haar verlossen

en toverde heel even maar

een glimlach op haar verzuurd gezicht

 

ik zwijg met hem

de grote flits

 

de dag die alle dagen beëindigt

is al lang geweest. je hebt het niet

opgemerkt. het geeft niet.

 

ik keek naar een vetplant, zat wat

te spelen met je borsten, lief,

het geeft niet.

 

een mens moet soms iets doen.

ik keek naar een vetplant,

gevangen in de grote flits en dacht

 

dus zo plotseling kan liefde

waar zijn. het werd haast

een reden om van je te houden.

de afspraak

 

iemand trekt deze ochtend

krijtstrepen over zijn pak, witte

lijnen op de weg

 

de afspraak staat

deswege / omwille / onomstreden

vangt vandaag aan op een zebrapad

 

halverwege zijn auto

rolt een bal hem in de voeten,

 

ontstaat twijfel over dit beeld

en over de richting (zijwaarts) die

wind verkiest door haar te gaan

 

er wordt niets omgeroepen

 

wel spant de lucht bleek

tussen uitgestrekte armen samen

 

boort zijn hoofd zich krakend door het doek

zijn linkerhand links zijn rechter

 

drie tomaten slikt hij in. de vierde

wordt geworpen als een steen

colettes koan

 

in het rood van zijn hand

zit zwaaien

zoals bomen doen in wind

 

en na de wind de witte

huid van water

waar je nog niet op schaatsen kunt

 

over de kinderen niets

dan dekens en een hand

vol waspoederdromen

 

over haar niets dan de stilte

van één hand

die maar blijft klappen

(applaus)

blues voor William

 

het komt oh ja het komt als een vreemdeling komt het als een verstekeling op je adem komt het tussen woorden (ik hou van je) komt het in een zwellende boezem komt het als het pompen het snelle pompen het onophoudelijke bonken als een streep die afscheid door je trekt en je verscheurt op weg naar een volgend verlaten is het gekomen oh het komt William het komt

 

het komt oh ja het komt als een riem komt het als het pure rood van striemen als een riem die breder is en boem! doet in het donker boem! doet in het licht van je hoofd als je slaapt in een bus in een trein (je hoofd warm tegen het raam) in je huis tussen muren aan het slot met bleke vingers komt het en als het aan het slot komt is het gekomen oh het komt William het komt

 

het komt oh ja het komt in spijkerbroek komt het met minaretten op het hoofd komt het in wit als vrouw als iemand die je wilde als bruid komt het in de lange nacht voordat het water breekt (vlokken in metallic blauw) tussen winterwitte benen komt het als twijfel als in een kijkdoos vol paddestoelen komt het in Yves Klein blue is het gekomen oh het komt William het komt

bèh

schaap zegt bèh.

Erwin zegt bèh.

 

lang samengevat: de kans bestaat

dat we ons op aarde bevinden.

 

iets korter:

 

bèh.

 

precies

zo klinkt het.

 

Erwin op rug in gras.

schaap uit zicht op dijk.

 

er is wind.

er zijn wolken.

 

wat een feest.

nieuw land

uit wat overblijft na groot verlies
schiep zij een land
om in te dwalen.

trok eerst met vingers
in roodrechten
over het gespannen stil van huid

totdat daaraan weer grenzen waren.
riep hem terug als een echo
uit de roerloze diepte van zijn mond;

balde haar vuist tot zon
en hing die boven hem,
als in een wieg.

verkende iedere moedervlek opnieuw
en legde daartussen wegen aan
en bruggen, niet

om vanaf te springen
maar om van uit te kijken
zoals een kind dat doet.

antwoord

 

lege blikken in een kast

uit verre landen vrees ik, het kraken

van een pissebed onder mijn schoen

 

stilte die op geluid volgt, de geur van melk

uit schroefdopbekers en het natte groen

van bekers in een tas

 

maar meer nog vrees ik dit

ontwaken, de vraag wat er is

omdat ik klam voel

 

met open handen sla naar licht

dat door lamellen raast

en alles bedoel maar niets zeg

witte schoenen

I

zomaar op een januarimorgen

zag ik ze weer staan: de hemelswitte

schoenen van mijn vader

 

ze stonden wat verloren op de kokos keukenmat

 

en heel even dacht ik

 

maar

 

het was een speling van het licht

dat bleek

wit door het keukenraampje viel.

 

al het andere is ijdelheid.

 

II

hij droeg zijn witte schoenen graag,

mijn vader.

 

er staken dunne benen uit

die rood en blauw en rouw

waren gerand

 

ze knakten

als cocktailprikkers

wanneer hij in hurkzit zat

 

en schoenen poetste boven

op de keuken

mat.

 

III

zo dun zijn benen, zo groot zijn handen,

maar vaal

 

als oude vlaggen die hij streek

en opborg voor de nacht

 

in een la naast zijn bed

 

waaronder de heilige geest

gebotteld op hem lag te wachten

 

IV

soms seinde hij met zijn handen

overgave

vanuit het lakenwit van bed

 

een weifelend wit op wit

als een voorzichtig opgeven

van kleur

 

vandaag

weer overgeven.

 

de trap niet meer opgekomen.

 

V

het was net zo'n dood

gewone ochtend in januari

waarop hij roerloos klaarlag

 

de vlaggen voorgoed gestreken

zijn handen meer

als ankers nu

 

reikten haast tot op de grond

 

zijn enkels rouw zijn lippen

blauwgerand

 

ik salueerde hem

oh, captain, my captain

met een vinger van mijn hand

 

VI

maar ondanks dit

desondanks dat

en alles

 

dat er al zo lang niet meer toe doet

 

zeg ik je nu

 

ik zou je het liefste de trap op willen dragen

vraagloos en voorzichtig

zoals je dat

met breekbare dingen doet

 

ook

 

zelfs als ze schreeuwen

 

VII

maar

ik fluisterde alleen maar

papa

 

loop dan, loop dan

 

ga omhoog en

loop op je wolkjes

 

je vuil

grijze rook achterna.

 

VIII

al het andere is ijdelheid.

banaan

 

daar dobber je dan op je banaan

en naast je dobberen anderen

op hun banaan.

 

jouw banaan is de beste banaan.

je bent er zeker van, je hebt hem

zelf uitgekozen.

 

meewarig kijk je naar de mensen

op de belendende banaan. het zijn

domme mensen op een lelijke banaan.

 

jouw banaan gaat harder dan hun banaan.

hij spat meer water op

en snijdt de bochten beter aan.

 

niemand neukt met jouw banaan.

je weet het zeker.

jouw banaan is de beste.

wat er is

 

er is geen hoop, geen mededogen,

geen gelijk. er is niets dat zich nog

voor deze voeten uitstrekt.

 

geen hel, geen hemel. niets om nog naar toe te gaan.

geen weg terug. geen warme hand

langs een van slaap bezweet gezicht.

 

niets dan de toen zo haastig vergeten

geur van een knuffelbeest. maar niet de volgende

en niet de daaropvolgende dag.

 

er is niets.

er zijn spionnen in het bloed.

er is wanhoop.

 

er is het wachten. er is de stilte

tijdens het wachten. er is ziekenhuiswit:

de kleur waarin bloemen sterven.

 

en verder? verder is er niets.

niet het geluid van een bel,

geen lonkende sirene.

 

geen waarschuwing. geen respijt. geen beloning.

geen troostend woord. er is geen afscheid denkbaar

dat niet al vaak genomen is.

 

geen geluid, geen boom die precies

in deze stilte valt,

die vult.

 

er is geen boom.